Met de billen bloot (Toos, 64 jaar)

Niemand hield zich in. En niemand vond daar iets van.

Dit is het verhaal van Toos (64). Over een tijd waarin 'gewoon samen zijn' genoeg was.

Luisterverhaal

Ik zit op zolder, midden tussen dozen en spullen waarvan ik mezelf al jaren beloof dat ik ze ooit nog eens ga uitzoeken. Vandaag is de dag, had ik vanmorgen besloten. En deze keer ga ik het ook echt afmaken! Al weet ik van mezelf hoe dat meestal gaat. Ik begin ergens vol goede moed aan, raak halverwege afgeleid, duik in iets anders en voor ik het weet ben ik vergeten waar ik eigenlijk mee bezig was en hoe ik in deze situatie terecht ben gekomen.

Nadat ik de kasten heb leeggehaald en de vloer heb gestofzuigd, blijf ik even staan.
Mijn blik valt op een doos met fotoboeken en losse foto’s. Vooruit. Eén boekje openen kan geen kwaad. Daarna ga ik verder, beloof ik mezelf. 

Ik pak een dik donkerblauw fotoalbum van de stapel en blaas er een laag stof vanaf. Deze foto’s heb ik écht al lang niet bekeken. Het zijn de foto’s van familiedag 1979. 

Op de eerste foto zie ik mijn neef Martien, midden in beeld. Hij heeft een klein paardje aan zijn rechterhand. Het paardje trekt een klein huifkarretje met een gebogen doek eroverheen. In de kar zitten de twee oudsten van het stel. Zo deden we dat altijd. Iedereen uit de familie die niet goed meer kon lopen of fietsen, mocht mee in de kar. Tantes, ooms, neven, nichten, groot en klein: in de luiers, uit de luiers en weer opnieuw in de luiers. Iedereen moest en zou meegaan. We waren met een man of twintig, mijn moeder kwam namelijk uit een gezin van negen.

Rond de huifkar lopen en rennen een stuk of 10 neefjes en nichtjes. Aan hun kleding te zien was het lekker weer die dag. Iedereen draagt korte mouwen en één van mijn neefjes heeft zelfs zijn schoenen al uitgetrokken. De foto is van voren genomen, dus je kan niet echt zien waar ze heen lopen, maar ik weet het al meteen. We gingen die dag, net als ieder jaar met lekker weer, met de hele familie naar de Malpie, naar de ‘Witte berg’ zoals we deze noemden. 

Een paar bladzijden verder zie ik hem inderdaad. ‘Onze’ witte berg. De witte berg doet je denken aan strandzand. Wit en los, warm door de zon. In de ogen van de kleintjes hoog en indrukwekkend. Veel hoger dan hij in werkelijkheid ooit geweest kan zijn.

Je kon er heerlijk van afrollen. En dan, eenmaal dolgedraaid beneden, al het zand uit je onderbroekje schudden en hup, weer naar boven.

Op de foto zie je één van mijn nichten in het midden zitten. Ze is hoogzwanger. Naast haar zijn tante Jo en tante Dinie zich al aan het uitkleden. Witte borsten in bh en flubberbenen: voor iedereen te zien! Het maakte ze allemaal niks uit. Ook de kinderen lopen rond in hun ondergoed.

Als ik er nu naar kijk, valt me dat misschien nog wel het meeste op. Niet eens wat we deden, maar hoe vanzelfsprekend het allemaal was. Niemand die zich inhield, niemand die bezig was met hoe hij of zij eruitzag of wat een ander ervan zou vinden. We waren daar gewoon, fijn met z’n allen. En dat was genoeg. 

Op een andere foto zie ik tante Jo tot aan haar nek ingegraven in het zand. De foto laat me lachen. Dit spel en ‘bumpke ketsen’ zijn toch wel de spelletjes uit mijn jeugd waar ik de meeste herinneringen aan heb. Alle neefjes en nichtjes groeven dan kuilen in de berg, zo diep dat er iemand in kan verdwijnen. De kuilen werden dan kritisch bekeken en gekeurd door de rest en pas als elke kuil was goedgekeurd, kon de wedstrijd beginnen. De tantes moesten dan elk in een gat kruipen. De gaten werden vervolgens weer dichtgegooid, zodat alleen hun hoofden nog boven ‘t zand uit staken. 

Op de foto ernaast zie ik dat iemand een onderbroek op het hoofd van tante Jo heeft gezet. Tegen de vliegen. Dat leek op dat moment een goed idee, maar werkte natuurlijk helemaal averechts. En tante Jo zat ingegraven, dus die kon er niks tegen doen. Op de achtergrond zie ik mijn neefje tante Dinie een slok water geven uit een bekertje, alsof ze zich aan het voorbereiden is op iets serieus

En zo ging iedereen er ook mee om. Het zand werd netjes aangedrukt, overal evenveel, zodat niemand voordeel had. Als alles klaar was, zetten we een paar stappen naar achteren en keken we naar die rij hoofden die boven het zand uitstaken. Eigenlijk best een vreemd gezicht, maar voor ons was dat de normaalste zaak van de wereld.

Ik zie alles weer levendig voor me als ik naar de foto’s kijk. Hoe we allemaal tegelijk aftelden tot nul en mijn tantes al hun kracht gebruikten om zich los te werken uit het zand. Wat nog helemaal niet zo makkelijk was. Het zand zakte steeds weer terug, kwam in hun mond en in hun ogen. Ze moesten lachen, hoesten, proesten, terwijl wij eromheen stonden te roepen en aan te moedigen. Niemand hielp, zelfs niet als tante Jo om hulp riep. Dat was namelijk tegen de regels. Het ging erom wie er als eerste zelf uit kwam.

Tante Dinie hoestte van al het zand dat ze binnenkreeg. Ergens aan de zijkant lag tante Cor die zich stilletjes alleen maar bezighield met haar taak. Met succes. Uiteindelijk was zij degene die als eerste loskwam, rechtop stond en haar armen in de lucht gooide, terwijl de rest begon te juichen.

Tante Cor was de winnaar van familiedag 1979, maar volgend jaar zouden we het weer opnieuw doen. Op precies dezelfde plek.

Als ik het boek weer dichtsla, blijft mijn hand even hangen. De foto’s laten me weer even helemaal teruggaan in de tijd, alsof er niks is veranderd. Terwijl we inmiddels bijna 50 jaar verder zijn! En juist dat verschil voel je eigenlijk pas als je het zo naast elkaar ziet, de geschiedenis en het ’nu’.

Die witte berg op de foto’s is er nog wel, maar die is allesbehalve wit. En eigenlijk is het ook nauwelijks nog een berg te noemen. Het zand is begroeid geraakt en de steile helling is verdwenen. Als je er nu langs loopt, zie je niet meer wat wij in 1979 zagen. Je moet het weten om het nog te herkennen. 

Het was ooit een kale heuvel van stuifzand, arm aan mineralen, waar bijna niets wilde groeien. Maar door de jaren heen is de grond veranderd. Door de stikstof die neer is geslagen, zijn er planten gaan groeien die hier vroeger geen kans kregen. En zo is die witte berg langzaam groen geworden.

En misschien is dat wel met meer dingen zo gegaan. 

Picknicken bij het ven. Zwemmen waar het kon. Kanoën van Borkel naar de Venbergse Molen en een trappist drinken achteraf op het terras bij diezelfde molen. Paaseieren zoeken, groene kikkers vangen met onze blote handen, of rondrennen in je ondergoed. Niemand die zich afvroeg of dat wel mocht. Niemand die er iets van vond. Vroeger deden we dat allemaal gewoon. Ik heb het idee dat tegenwoordig iedereen zich veel bewuster is van hoe je eruitziet en wat een ander ervan vindt. Zonde, eigenlijk.

Inmiddels ligt er midden in de Malpie een Natura-2000-gebied. Een gebied wat nu afgebakend is om bedreigde plant- en diersoorten en hun leefgebieden te beschermen. De tijden zijn veranderd en de natuur verandert onvermijdelijk mee. En dat is oké, ik maak er nu andere herinneringen.

Ik kom nog steeds graag op de Malpie, maar niet meer met mijn neefjes en nichtjes. De oude tantes op de foto’s zijn er inmiddels niet meer en de kinderen, die je in hun luier op de foto’s zag staan, zijn inmiddels allemaal boven de 50.

Ik woon samen met mijn vrouw in Valkenswaard en iedere keer als we langs de plek van ‘onze witte berg’ lopen, zie ik de koppies van mijn tantes weer voor me.  En dan besef ik dat het er misschien anders uitziet, maar dat het gevoel eigenlijk nooit is weggegaan.

De Malpie voelde vertrouwd, en ik hoop dat we haar zo blijven koesteren dat dat gevoel nog generaties lang blijft bestaan.