Als de bomen konden praten (Ine, 68 jaar)
Sommige plekken onthouden meer dan wij. Ze bewaren wat wij dreigen te vregeten.
Dit is het verhaal van Ine (68). Over een avontuur met haar vader, dat hier nog steeds voelbaar is.
Luisterverhaal

Het zonnetje schijnt als we aankomen bij de ingang. Mijn vader doet de rits van zijn donkerbruine suède jas open en samen lopen we het bos in. Niet met een doel of een eindpunt. Gewoon om lekker een rondje te lopen, zoals we dat al meer dan 15 jaar samen doen.
Een eindje verderop, wijst hij naar het water. ‘Heb ik je wel eens verteld wat wij hier vroeger deden?’, vroeg hij. Ik zeg hem van niet.
‘Vlotten maken! Wij maakten vlotten van de olieblikken.’
‘Olieblikken?’
‘Van het leger’, vertelt hij. ‘Die lagen hier overal na de oorlog. Bij de boer, achter de molen, langs de kant van de weg. Grote blikken, voor smeerolie. Die pakten we dan, sloegen ze plat en bonden ze aan elkaar met touw. Daarna gingen we ermee het ven op.’
Ik stel me voor hoe dat eruit moet hebben gezien. Een stel jochies van een jaar of tien, op een gammel vlot gemaakt van platgeslagen blikken, midden op het open ven, zonder ouders in de buurt.
‘Was dat niet gevaarlijk?’ vroeg ik hem.
Hij kijkt me aan alsof ik hem iets vraag waar hij zelf eigenlijk nooit bij stil heeft gestaan. ‘Waarschijnlijk wel,’ zegt hij dan. En hij lacht.
Het verbaast me eigenlijk niks, dat hij daar zelf nooit over nagedacht heeft. Mijn vader is altijd al iemand geweest die eerst deed en dan pas nadacht. Of beter gezegd: iemand die helemaal niet nadacht, en er dan achteraf om moest lachen.
Hij had in zijn jonge jaren gewerkt in het fopwinkeltje van zijn vader, bij kapper Van Gorp, op de Eindhovenseweg. Een damessalon, een herensalon, en voorin een winkeltje waar je dingen als een neppe drol kon kopen, of bonbons met mosterd erin. Alle jongeren in Valkenswaard wisten dat winkeltje (en mijn vader) destijds wel te vinden.
En het boefje wat hij vroeger was, is hij altijd gebleven. Ik herinner me nog dat hij een jaar of dertig geleden een nieuwe heup kreeg. Hij lag toen in het ziekenhuis in Nijmegen. Mijn vader was net geopereerd en verveelde zich vrijwel direct. Op de afdeling lagen vrijwel alleen mensen die een soortgelijke operatie hadden ondergaan. Dat betekende dat niemand zijn bed uit kon. Iedereen lag een beetje televisie te kijken de hele dag. Mijn vader had uit de fopwinkel nog zo’n universele afstandsbediening, zo eentje waarmee je alle televisies kon bedienen. Zodra hij zijn bed uit kon, maakte hij dan ook graag korte wandelingen op de afdeling en zette bij iedereen een andere zender op.
De herinnering laat me glimlachen. Een stukje verderop zie ik een kind een dennenappel van de grond rapen. Het doet me denken aan de tijd dat ik hier vroeger kwam. ‘Weet je nog dat we hier vroeger altijd paaseieren zochten?’ vroeg ik mijn vader. Zijn ogen beginnen te twinkelen. ‘Met het DAF-je van opa!’ antwoordt hij. ‘Met het DAF-je van opa’, beaam ik.
Ik zie het nog voor me. Dat oranje-gele blik van een auto. Mijn opa had één van de eersten in Valkenswaard. Elk jaar op 1e Paasdag mochten we er met alle kleinkinderen in: bovenop elkaar gestapeld, zonder riem. Allemaal een mandje op schoot. Mijn opa zat voorin: wij met z’n allen achterin.
Mijn vader lacht. ‘Het is mij nog steeds een raadsel hoe dat ding het alle jaren heeft overleefd met al die kinderen erin.’ Als ik eraan terugdenk, voel ik weer de kinderlijke opwinding van toen. ‘Opa verstopte hier altijd tientallen paaseitjes tussen de bomen en de struiken, en wij mochten ze zoeken. Elk met een eigen mandje. En daarna met volle mandjes terug in dat DAF-je. Naar opa en oma thuis. Daar stalden we alles uit op de keukentafel en verdeelden de paaseitjes eerlijk onderling.’ Ik zou nu nooit meer paaseitjes verstoppen in verband met de kwetsbare natuur, maar ik denk er met veel plezier aan terug.
‘Ach ja, toen hadden ze nog dat feloranje tafelkleed’, reageert mijn vader. ‘Nee, dat kleed was groen en had een kersen patroon erop weet je nog?’ zeg ik. Hij knikt langzaam. ‘Ah ja, groen...’ Hij herhaalt het even, alsof hij het ergens in zijn hoofd wil opslaan. Dan staart hij de verte in.
Het gebeurde de laatste tijd steeds vaker dat hij kleine dingen niet meer helemaal scherp had. Hij vergat steeds vaker namen, straten of waar hij ook alweer heen ging met zijn zin. Wandelingen als deze vind ik daarom ook extra fijn. De Malpie lijkt hem altijd wat losser te maken. Wandelen door de Malpie voelt als wandelen door onze herinneringen, omdat we hier al zoveel hebben meegemaakt.
Een stukje verderop bereiken we het bankje bij de Dommel. We gaan zitten en kijken naar het water. Mijn vader steekt zijn hand in zijn jaszak en haalt er zoals tijdens iedere wandeling twee mandarijntjes uit. Hij geeft er een aan mij, het andere begint hij zelf te pellen. Dan begint hij ineens hardop te lachen. ‘Wat?’ vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd, nog steeds lachend. ‘Weet je nog die wandeling met Judy en Mike een paar jaar geleden? Toen je moeder hier op het bankje achterbleef met Mike?’
Ik weet het nog wel, het was nog niet zo heel lang geleden. Mijn vader, Judy en ik gingen die dag een rondje in de Malpie wandelen terwijl mijn moeder en Mike op het bankje wachtten. Judy en Mike waren vanuit Engeland naar Valkenswaard gekomen, dat deden ze ieder jaar. Dat mijn vader nauwelijks Engels sprak, had hem die dag niet tegengehouden. Hij en Judy hadden het hele rondje gepraat, ieder in hun eigen taal, met veel wijzen en lachen. Ze hadden elkaar op de één of andere manier volkomen verstaan.
We kenden hen via mijn opa, die na de oorlog het graf verzorgde van een Engelse gesneuvelde soldaat alsof het dat van zijn eigen zoon was. Eén van de zonen van die soldaat, Mike, kwam jarenlang naar Nederland om het graf te bezoeken. Later kwam hij samen met zijn vrouw Judy. Zo groeide dat bezoek langzaam uit tot een terugkerend moment, en zagen wij hen ieder jaar weer.
Mijn moeder was al begin tachtig en niet meer zo goed ter been, net als Mike overigens. Dat is ook de reden dat ze hier op dit bankje zaten, terwijl wij verder liepen.
‘Je moeder had wel mee willen lopen,’ zegt mijn vader. ‘Maar dat ging dus niet meer zo goed’. Hij grinnikt. ‘En toen moest ze ook nog naar de wc.’
‘Wat?’
‘De hele wandeling had ze daar al last van. Maar ze durfde niet achter een boom, want die bomen waren te dun, dan zou je haar zien zitten. En Mike was de hele tijd bij haar.’ vertelt hij
Dat deel had ze mij nooit verteld.
‘Dus ze heeft anderhalf uur op ons zitten wachten terwijl ze heel nodig naar de wc moest?’
‘Anderhalf uur.’ Mijn vader schudt zijn hoofd, nog steeds lachend. ‘Met dichtgeknepen benen, naast een Engelsman die we één keer per jaar zagen.’
Ik stel me mijn moeder voor, kaarsrecht zittend op dit bankje, met een uitgestreken gezicht. Terwijl Mike nietsvermoedend in stilte naast haar zat. Ik moet er zelf ook om lachen.
Dan valt het me op dat mijn vader naar het water staart en zachtjes iets mompelt. Ik luister. Het is Engels. Vloeiend. Perfect geformuleerde zinnen achter elkaar, alsof hij midden in een gesprek zit met iemand die ik niet zie. Hij gebaart er ook bij. Een klein gebaar met zijn hand, zoals je doet als je iets uitlegt.
‘Pap?’
Hij kijkt op en kijkt me verward aan, alsof hij even niet meer weet waar hij is en vraagt dan: ‘Wat zeg je?’
‘Met wie praatte je?’
Hij fronst licht. ‘Praatte ik?’
Ik zeg niks. Hij kijkt weer naar het water.
Ik had hem hier al vaker op betrapt: Het voeren van gesprekken in het Engels. Met zichzelf. Bizar was het! Hij heeft in zijn hele leven namelijk amper een zin Engels gesproken. Een paar woorden, meer niet. Dat had hem er niet van weerhouden om met Judy een hele wandeling lang te kletsen, maar dat was anders, met handen en voeten. Nu voerde hij gesprekken met mensen die er niet waren. Soms met Mike, soms met de soldaat. Tenminste, zo leek het voor mij. Alsof hij in een andere tijd zat, met mensen die hij vroeger gekend had.
De dementie was inmiddels officieel vastgesteld, al had ik het al veel langer zien aankomen. Op een avond, niet zo lang geleden, bracht hij mij naar huis. Het was donker. We reden door het centrum van Valkenswaard en ik zag hem recht op een vluchtheuvel afsturen, midden op straat. Op het laatste moment zwenkte hij uit. Mijn hart stond stil. Ik zei niks, maar de volgende ochtend belde ik direct de huisarts.
Voor mijn moeder werd het thuis steeds zwaarder. Mijn vader kon nog wel wandelen, nog wel genieten, maar hij had constant iemand nodig in de buurt. Daarom nam ik hem regelmatig mee. Een of twee keer per week, lekker een rondje Malpie. Dan had mijn moeder even haar handen vrij, even lucht. En mijn vader had altijd zin om te gaan. Zodra ik aankwam en hij zag dat ik mijn jas aan had, wist hij het al. Dan stond hij enthousiast op, met die grote glimlach van hem.
Mijn vader pelt de laatste partjes van zijn mandarijntje en gooit de schillen in de prullenbak naast het bankje. Dan staan we op en vervolgen het pad. Als we de hoek om komen, zie ik ineens een grote stapel boomstammen liggen. Oeps. Ik wist dat ze er lagen. Ik had ze laatst ook al gezien en ik heb er helemaal niet bij stilgestaan. Mijn vader staat al voor de eerste stam.
‘Pap,’ zeg ik. ‘Wacht even. Kijk eens hoeveel dat er zijn, we kunnen ook omdraaien.’
Mijn vader is ver in de tachtig. Hij bekijkt de hindernisbaan voor hem. Niet twijfelend of bang. Sterker nog, hij glimlacht naar me terwijl hij ernaar kijkt.
‘Daar gaan we wel overheen!’ zegt hij.
Hij klimt met wat moeite over de eerste stammen heen en ik blijf achter hem. Boomstam na boomstam, het pad lijkt niet op te houden. Maar nu moeten we wel doorgaan. Ik loop achter hem aan en houd mijn adem in. ‘Als hij nu valt’, denk ik, ‘hoelang duurt het voor er iemand komt?’
Maar hij valt niet. Hij klimt zelfverzekerd over alle stammen heen en aan het eind lacht hij. Niet omdat hij opgelucht is dat het voorbij is, maar omdat hij het geweldig vond.
Een paar minuten later stapt hij van het pad af en verdwijnt achter een klein bosje struiken om te plassen. Dat ene bosje. Ik glimlach. Iedere wandeling, op precies hetzelfde punt in het pad, hetzelfde bosje. Zo vast als de mandarijntjes in zijn jaszak, zo vast is deze plasplek in de Malpie voor hem.
Maar dat bosje is er niet meer. Ik loop hier vandaag alleen. Het verhaal wat ik je net vertelde vond plaats in 2019. Het bosje is een paar jaar geleden gekapt. Samen met een groot deel van de bomen hier. Ik begreep waarom: de bomen zogen te veel water uit de grond, er moest ruimte komen voor nieuwe natuur. Logisch, goed voor het gebied. Maar toen ik hier voor het eerst langs kwam en zag dat het weg was, voelde ik eigenlijk alleen maar boosheid.
Alles mocht weg, maar niet mijn vaders bosje. Iedere keer als ik hier wandelde, dan zag ik mijn vader. Hoe hij achter de struiken vandaan kwam met zijn tevreden blik. Zoals ik me hem het liefst herinner. Niet als de man die steeds vaker de draad kwijtraakte, niet de man die waanbeelden had en niet de man die mij niet meer herkende als zijn dochter. Maar mijn vader zoals hij was. De altijd vrolijke grappenmaker, die alles voor mij over had en achter mij stond. Wat ik ook deed.
En nu is die plek er niet meer. Hij is er ook niet meer.
Op het laatst vergat hij veel. Namen, gezichten, waar hij was en wie hij was. Maar wat hij nooit vergat, was ons boomstammen-avontuur. Hij vertelde het trots aan iedereen. Aan de zorgmedewerkers, aan zijn vrienden, aan iedereen die het horen wilde. Dat hij in de tachtig was en samen met mij over die stammen geklommen was. Hoe geweldig hij het vond. Dat detail bleef, zelfs toen alle andere zaken wegglipten. Alsof dat moment zo diep in hem zat, dat de dementie er niet bij kon.
Ik kom hier nog steeds graag. Met mijn man, soms met mijn zoon als hij op bezoek is. En iedere vrijdagavond met de vrijdagavond-wandelclub, een clubje dat ik al jaren heb, en dat hier ook al menig rondje heeft gelopen.
Ieder rondje ziet de Malpie er anders uit. Andere kleuren, andere geuren, ander licht. In de zomer staat de heide in bloei. In de winter zijn de takken kaal en zie je pas echt hoe de structuur van de bomen eruitziet. Ieder seizoen roept andere herinneringen op. Herinneringen aan mijn opa in zijn oranjegeel DAF-je, aan paaseieren zoeken met mijn neefjes en nichtjes, aan de eerste wandelingen met mijn man en zoon, aan Judy en Mike, aan mijn moeder op dat bankje… En aan mijn vader. Mijn altijd vrolijke, trotse vader.
Dat bosje is er niet meer, maar als ik hier loop, is mijn vader er wel.
Als die bomen hier konden praten, dan kwam onze hele familiekroniek boven. Er is hier gelachen en gehuild, soms op dezelfde dag. Dat is wat de Malpie voor mij doet: ze bewaart wat jij niet wilt vergeten.