8. Hier liggen 82 jaar levenservaring en een paar schaatsen (Wim, 82 jaar)

Als je even om je heen kijkt, zie je waarschijnlijk het water voor je liggen. Met daaromheen de heide en de bomen die het ven bijna omarmen. Misschien hoor je een watervogel, zoals een fuut. Of het ruisen van de wind door de boomtoppen. Het voelt rustig, bijna vanzelfsprekend, alsof dit hier altijd zo is geweest. Maar dat is niet zo. 

Ik kom hier al mijn hele leven. 82 jaar om precies te zijn. Ik ben opgegroeid in Dommelen, net aan de andere kant van de Luikerweg, op een boerderij met paarden. En als jongetje zat ik altijd buiten. Met een paard onder me trok ik door de bossen. Gewoon overal tussendoor. Niet over vaste paden zoals nu, maar echt struinen. Dwars door alles heen. Ik zag de Malpie niet als een natuurgebied, maar als mijn achtertuin. 

Het Pastoorsven, waar je nu naar kijkt, zag er toen heel anders uit. Het lag verscholen in het bos, echt verstopt. Je moest weten waar je moest zijn, anders liep je er zo voorbij zonder het ooit te zien. Er stonden dichte struiken omheen: rododendrons, en er kwamen nauwelijks mensen. Alleen wij, vanuit Dommelen, kenden de weg ernaartoe. Dat gaf het iets bijzonders, alsof je op een plek kwam die niet voor iedereen bedoeld was. 

Op de boerderij waren we met zeven kinderen. Vier jongens en drie meisjes. Er was altijd wel werk te doen: ploegen, zaaien of hout sjouwen met de paarden. Mijn vader reed met de paarden voor de bouw om stenen te halen en spullen te vervoeren. We hadden in die tijd nog geen vrachtwagens, dus dit was hoe iedereen het deed. 

Niet alle kinderen waren zo dol op de paarden als ik. Eigenlijk alleen mijn oudste broer en ik. De rest voetbalde liever. Mijn broer en ik gingen de bossen in: dwars door de Malpie heen. Dat deden we bijna iedere dag. 

Dat betekent overigens niet dat mijn andere broers en zussen niet graag in de Malpie kwamen. Zij kwamen er alleen met een ander doel. Mijn tweede broer bijvoorbeeld, ging de Malpie in om pijpenstrootjes langs de vennen te snijden. Hier vlocht hij manden van, zoals je ze vroeger bij de bakker zag liggen. Een aantal hiervan liggen inmiddels bij mijn kinderen. 

Zo haalde de Malpie bij ons thuis iets naar boven in mensen. De één reed er met paarden. De ander kon er zijn creativiteit kwijt en weer een ander kwam er voor de rust. Dat is wat dit gebied doet. Al generaties lang. Het geeft je iets terug op een manier die bij jou past. 

In de winter kwamen we graag in de Malpie om te schaatsen. Dat deden we vaak op het Koekoeksven en het Apenven. Hier was het water namelijk veel eerder bevroren. Het Pastoorsven vroor juist later dicht omdat het beschut lag. Ik herinner me nog 1 winter waarin ik nieuwe Friese schaatsen had gekregen tijdens Sinterklaas. Ze waren prachtig! Mijn tweede broer - hij is 10 jaar ouder dan ik - wilde deze wel even uitproberen. Zo liepen we samen naar het Pastoorsven. Hij trok mijn nieuwe schaatsen aan, voordat ik er iets tegenin kon brengen. 

Het had al lang gevroren die winter, en ik schrok toen ik mijn broer - samen met mijn nieuwe schaatsen- onder het ijs zag verdwijnen. Karma noemen ze zoiets, volgens mij. Mijn broer wist gelukkig uit het water te komen, maar heeft daarvoor wel mijn gloednieuwe schaatsen moeten uittrappen. Die liggen waarschijnlijk nog ergens op de bodem, hier op het Pastoorsven. 

Ik heb me lange tijd afgevraagd waarom het hier zo heet. De familie Pastoors woonde aan de andere kant van Valkenswaard, op het landgoed Treeswijk. Tussen Waalre en Valkenswaard. Hun andere vennen hadden namen als het Petersven en het Witven. Maar dit ven, dat helemaal hier op de Malpie ligt, heette Pastoorsven. Dat vond ik altijd bijzonder. 

Pas veel later kwam ik erachter dat er daadwerkelijk een verband bestond. Begin vorige eeuw kwam een groot deel van de Malpie in handen van mr. Hubertus Johannes Passtoors. Hij bezat grond in dit gebied en was bovendien verbonden aan het landgoed Treeswijk. In een tijd waarin de Malpie nog grotendeels uit heide, vennen en woeste grond bestond, maakte dit gebied deel uit van zijn bezittingen. 

Dit gebied hoorde dus ooit gewoon bij zijn landgoed. Hij gebruikte het ook echt zo. Hier werd gejaagd, er werd gevist en er werd vis uitgezet in het water. Het ven trok daardoor vogels aan, wat het interessant maakte voor de jacht. Het was geen plek om te wandelen zoals nu, maar een plek die echt in gebruik was. Na zijn dood kwam het gebied in andere handen terecht.

En langzaam veranderde het van iets wat van één iemand was naar een plek waar iedereen kon komen. 

Ik heb hier zestig jaar met paarden gereden. Door alle seizoenen en ik denk dat ik op iedere centimeter van het gebied wel ooit gereden heb. Als het sneeuwde, bond ik een pallet achter mijn paard en racete ik op mijn knieën door de sloten en paadjes. Als de heide bloeide - dat was begin augustus en vond ik het mooiste moment - dan reed ik hier uren rond. Omdat ik nergens anders wilde zijn. Op zaterdagen in de herfst hielp ik met het uittrekken van boompjes op de heide. Kleine grove dennetjes, zodat de hei niet overwoekerd zou raken. Dat deed ik niet voor geld. Dat deed ik omdat ik er zuinig op was.

Ik ben altijd in Valkenswaard blijven wonen. Mijn vrouw had weinig met paarden, zij had meer met tennis. Maar dit gebied dat hoorde er toch altijd bij. Voor mij misschien anders dan voor haar, maar het bleef een plek waar we allebei heel graag kwamen. We hebben samen een hectare bos aan de overkant van de Dommel, vlak bij het water. 

Vier jaar geleden heb ik mijn laatste paard laten inslapen. Hij was oud en ziek, en er was geen andere keuze. Ik was zelf bijna 80, dus ik vond mezelf te oud voor een nieuw paard. Sindsdien kom ik hier minder. Niet omdat ik niet wil, maar omdat de reden om hier te zijn anders is geworden. Het pad is er nog en het ven is er nog. Maar ik zit niet meer in het zadel. 

Mijn vrouw is aan het dementeren. Ik zorg voor haar. Dat vraagt tijd, dat vraagt aandacht. En neemt soms ook iets van je weg. Soms, als ik even weg kan, rijd ik langs de Luikerweg. Dan kijk ik naar het weitje dat ik nog bezit. Dan stap ik er even in, loop een stukje, en adem. Dit is nog steeds mijn achtertuin. 

De rododendrons die ik vroeger zo mooi vond, zijn grotendeels weggehaald. Het bosbeheer heeft ze verwijderd. Het zijn exoten die hier niet thuishoren, hebben ze me verteld. Een klein deel is blijven staan op verzoek van bezoekers. En het Pastoorsven, dat ligt nu verscholen en de wandelpaden lopen er royaal om heen, zodat er meer rust voor de natuur ontstaat. 

Ik heb goede herinneringen aan de rododendrons. Als ik hier met mijn paard stond en het licht viel op die dieprode bloemen boven het water…. Dat was het mooiste plekje van Nederland. Daar was ik heilig van overtuigd. 

En dat denk ik eigenlijk nog steeds. 

De uitgestrektheid nu, het open water, de vogels die weer zijn teruggekomen nu er meer water staat: het is prachtig. Dat zie ik wel. Maar de plek die ik kende, de plek die alleen voor ons was, die is er niet meer. Die ligt ergens op de bodem, naast mijn Friese schaatsen. 

Als je straks verder loopt, kijk dan nog even achterom naar het water. Niet alleen naar hoe mooi het erbij ligt, maar naar wat het heeft betekend. Een ven dat bijna een landgoed werd. Een plek die generaties lang van iedereen en van niemand was. Een plek waar een jongen van tien op een paard reed en zichzelf de rijkste man van de wereld voelde. 

Ik ben 82. Ik heb hier alles gezien wat een mens kan zien in een natuurgebied: de hei in bloei, het ijs in de winter, de lente als de eiken uitlopen. Ik heb hier gelachen, gehuild, gezwoegd en genoten. 

De Malpie was mijn achtertuin en heeft altijd voor mij gezorgd. Misschien is het nu tijd dat wij een beetje teruggeven.

Dit luisterverhaal is gebaseerd op de persoonlijke herinneringen van Wim Caris. Bij de historische uitwerking is de herkomst van de naam Pastoorsven onjuist terechtgekomen in zijn verhaal. Op basis van recent teruggevonden historische documenten is deze informatie in de geschreven versie hersteld.