7. Als alles klopt, klopt het dan nog? (Chris, 56 jaar)

Het zonnetje scheen vanochtend, dus ik dronk mijn koffie aan tafel in de achtertuin. Ik keek naar de inmiddels scheefgegroeide tegels onder me en besloot dat ik deze vandaag maar eens recht wilde leggen. Inmiddels zijn we vijf uur verder en heeft heel mijn achtertuin een grote beurt gekregen. Want naast het recht leggen van tegels, heb ik ook het onkruid weggehaald, de struiken gesnoeid, het gras gemaaid... Je kent ‘t wel.
Alles wat ook maar een beetje scheeflag, heb ik rechtgetrokken. De lijnen in mijn tuin moeten strak zijn, de tegels moeten netjes op elkaar aansluiten. Niets mag zomaar groeien waar het niet hoort.
En nu sta ik met mijn armen in mijn zij. Te kijken naar het resultaat. Ik ben tevreden. De tuin is weer netjes. Af. Precies zoals het ‘hoort’.
Maar waarom eigenlijk? Waarom moet dit allemaal zo strak zijn? Ik kijk naar het stukje waar ik nog bezig ben en dan naar wat al af is, en ergens voelt dat verschil een beetje vreemd. Want wie bepaalt wat netjes is? En waarom vinden we alles wat vanzelf groeit eigenlijk rommelig?
Die gedachte blijft hangen, ook als ik weer verder ga. Misschien juist omdat het me ergens bekend voorkomt. Niet per se vanuit mijn tuin, maar van hoe we vaker naar de natuur kijken. Alsof alles een bepaalde vorm moet hebben: een eindbeeld waar het naartoe moet werken. Terwijl dat eigenlijk helemaal niet is hoe natuur werkt. Waarom vinden we natuur niet ‘kloppen’, juist als we het haar eigen gang laten gaan?
Als kind waardeerde ik de natuur al. Niet zo bewust als nu natuurlijk, de natuur ‘was er gewoon’, maar ik kwam er wel graag. Ik was altijd al bezig met wat er om me heen leefde. Vogeltjes, hommels, bijen: alles wat bewoog trok mijn aandacht. Ik ging vaak met een vriend naar de Malpie, ergens zitten, een beetje rondkijken. En dat ben ik eigenlijk mijn hele leven blijven doen. Gewoon naar buiten om… te kijken.
Mijn eerste herinneringen aan de Malpie zijn van toen ik een jaar of twaalf was. Ik weet nog dat ik erheen ging, omdat je daar bepaalde vogels kon zien. Zwarte sterntjes noemden ze die. Vogels van het ondiepe moeras. Ik was van jongs af aan al erg geïnteresseerd in vogels en insecten.
Die nieuwsgierigheid naar wat er leeft en beweegt, is eigenlijk nooit weggegaan. In het begin zit dat in van alles. Gewoon kijken wat er rondvliegt, wat er groeit, wat er verandert. Later ga je daar iets meer over lezen, iets meer begrijpen, en dan merk je dat wat je ziet eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend is als dat het lijkt.
Want de natuur staat niet stil. Het blijft niet zoals het is. Zelfs als je niets doet, verandert er iets. Een open stuk heide wordt na verloop van tijd gewoon bos. Eerst komen er grassen, daarna struiken, en uiteindelijk bomen. Dat proces gaat altijd door. Dus als je zegt: laat de natuur haar gang gaan, dan betekent dat eigenlijk ook dat je accepteert dat het wordt wat het wordt. Wat je op een bepaald moment ziet, is maar een fase in een groter geheel.
En dat is precies waar het ingewikkeld wordt.
Want veel van de natuur die wij mooi vinden, bestaat vaak alleen door menselijk ingrijpen. Heide is daar misschien het beste voorbeeld van. Als je daar niets doet, is het op een gegeven moment gewoon weg. Dan groeit het dicht en krijg je bos. Eigenlijk houden we iets kunstmatig in stand dat vroeger vanzelf ontstond, omdat de omstandigheden toen gunstiger waren.
Vroeger ontstond heide na verstoring van het landschap. Denk aan brand, of intensief gebruik van de grond, waardoor de bovenlaag verdween en er schrale, voedselarme bodem overbleef. In dat soort omstandigheden krijgt heide de kans om te groeien. Alleen: die omstandigheden zijn er nu veel minder vanzelfsprekend. Het landschap is ingericht, beheerd en verdeeld.
En dat betekent ook dat je moet blijven bijsturen. Niet om de natuur tegen te werken, maar om een bepaald landschap en de soorten die daarbij horen te behouden.
Dit zijn precies de gesprekken die ik ook vaak heb als ik met vrienden -net als ik, grote natuurliefhebbers- op pad ben. Bij veel natuurgebieden waar bijvoorbeeld net bomen gekapt zijn, wordt dan de vraag gesteld: ‘Waarom laten ze het hier niet gewoon met rust?’ Ergens snap ik die gedachte ook wel. Het voelt logisch. Laat het groeien, laat het gebeuren.
Maar zo simpel is het niet.
Want het landschap zoals we dat nu kennen, waaronder de Malpie, is al lang geen volledig natuurlijk systeem meer. Het is versnipperd, opgedeeld. Beïnvloed door hoe wij het hebben ingericht. Grote aaneengesloten gebieden zijn verdwenen. En wat overblijft zijn kleinere stukken waar je keuzes moet maken. Laat je iets gebeuren, of probeer je iets te behouden?
En daar zit je constant tussenin. Aan de ene kant voelt ingrijpen onnatuurlijk. Aan de andere kant is niets doen dat eigenlijk net zo goed. Het is niet zwart-wit. Het gaat niet om wel of niet ingrijpen, maar om begrijpen wat er gebeurt.
Terwijl ik daar zo in mijn tuin zit, realiseer ik me dat ik hier eigenlijk precies hetzelfde aan het doen ben. Ik bepaal wat er mag groeien en wat niet. Ik trek recht wat scheefligt en haal weg wat vanzelf opkomt, omdat het niet past in het beeld dat ik in mijn hoofd heb. Alles moet een bepaalde vorm krijgen, alsof dat de enige juiste is.
Ik kijk nog eens naar het stukje waar ik net bezig was. Tussen twee tegels zit een klein plantje dat ik nog niet heb weggehaald. Normaal zou ik het er zonder nadenken uittrekken. Maar nu … nu blijf ik even zitten. Ik duw de aarde eromheen een beetje aan en laat het staan.
Niet omdat het opeens allemaal anders moet. Maar omdat het misschien niet altijd nodig is om alles naar mijn hand te zetten. Soms is het nodig om iets aan te passen. En soms juist niet. Dan is het beter om de natuur haar eigen gang te laten gaan.