Verordeningen

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Valkenswaard
Officiële naam regelingVerordening toeslagen en verlagingen wet werk en bijstand
CiteertitelVerordening toeslagen en verlagingen wet werk en bijstand
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-10-2010 n.v.t. nieuwe verordening 30-09-2010 Onbekend onbekend

Tekst van de regeling

De Raad van de gemeente Cranendonck, Heeze-Leende, Waalre en Valkenswaard,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [NAAM] d.d. [DATUM],

 

gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand,

 

besluit vast te stellen de volgende
                    VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WET WERK EN BIJSTAND 2010

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand;
b. gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet.
 

Artikel 2
De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.
 

Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandnorm.

Artikel 3
1. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm indien uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder verblijven die een in aanmerking te nemen inkomen hebben dat lager is dan het normbedrag genoemd in artikel 21 onder a van de wet.
2. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 14 procent van de gehuwdennorm indien:
a. uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder verblijven waarvan tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onder a van de wet genoemde normbedrag;
b. de alleenstaande of de alleenstaande ouder onderhuurt, een kamer huurt of kostganger is;
c. de alleenstaande of de alleenstaande ouder onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
d. eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of alleenstaande ouder verblijven en belanghebbende onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
3. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder:
a. onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan twee of meer anderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben;
b. inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad.

 

Hoofdstuk 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandnorm of toeslag

Artikel 4
1. Er vindt geen verlaging plaats indien uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven die een in aanmerking te nemen inkomen hebben dat lager is dan het normbedrag genoemd in artikel 21 onder a van de wet.
2. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 6 procent van de gehuwdennorm indien:
a. uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven waarvan tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onder a van de wet genoemde normbedrag;
b. de gehuwden onderhuren, een kamer huren of kostgangers zijn;
c. de gehuwden onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
d. eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven en belanghebbenden onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
3. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 15 procent van de gehuwdennorm indien de gehuwden:
a. onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan twee of meer anderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben;
b. inwonen bij een bloedverwant in de eerste graad.
 

Artikel 5
Indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn bedraagt de verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet:
1. Achttien procent van de gehuwdennorm indien:
a. de toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, twintig procent of veertien procent van de gehuwdennorm bedraagt;
b. de verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet niet van toepassing is of zes procent van de gehuwdennorm bedraagt;
2. Negen procent van de gehuwdennorm indien:
a. de toeslag bedoeld in artikel 3, vijf procent bedraagt;
b. de verlaging bedoeld in artikel 4, vijftien procent bedraagt
 

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 6
Deze verordening kan worden aangehaald als: verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2010.

 

Artikel 7
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2010.