Verordeningen

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Valkenswaard
Officiële naam regelingRe-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010
CiteertitelRe-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet;
  2. de artikelen 7 en 8 en 10, tweede lid, van de Wet werk en bijstand; de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere e
  3. gelet op de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001) en de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008), evenals de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader van de Wet werk

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-10-2010 n.v.t. nieuwe verordening 30-09-2010 Onbekend onbekend

Tekst van de regeling

De Raad van de gemeente Cranendonck, Heeze-Leende, Waalre en Valkenswaard,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [NAAM] d.d. [DATUM],

 

gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet;
de artikelen 7 en 8 en 10, tweede lid, van de Wet werk en bijstand;
de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

 

gelet op de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001) en de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008), evenals de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004);

 

besluit vast te stellen de volgende
RE-INTEGRATIEVERORDENING WWB, IOAW EN IOAZ 2010

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
b. Anw-ers: personen met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet die geregistreerd zijn als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
c. voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, deze verordening en het beleidsplan als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
d. WWB: Wet werk en bijstand;
e. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
f. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
g. college: college van burgemeester en wethouders.

 

Hoofdstuk 2. Beleid

Artikel 2. Opdracht college
1. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.
2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen en doet een aanbod dat past binnen de criteria gesteld in deze verordening en het in artikel 3 genoemde beleidsplan.

 

Artikel 3. Beleidsplan
1. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening eenmaal per vier jaar een beleidsplan vast en brengt deze ter kennis van de gemeenteraad.
2. Dit plan omvat in elk geval:
a. een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen;
b. een omschrijving van de verschillende voorzieningen en nadere verplichtingen en regels die het college aan een voorziening kan verbinden;
c. criteria op grond waarvan de noodzakelijkheid, de duur en de maximale kosten van scholing worden beoordeelt;
d. criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg.
3. Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de effecten van het beleid.
 

Hoofdstuk 3. Gesubsidieerde arbeid

Artikel 4. Gesubsidieerde arbeidsplaats
1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers of niet-uitkeringsgerechtigden, voor een bepaalde duur een gesubsidieerde arbeidsplaats aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.
2. De duur van de gesubsidieerde arbeidsplaats bedraagt maximaal een jaar en kan eenmalig met maximaal een jaar verlengd worden.
3. De eenmalige verlenging van maximaal een jaar is alleen mogelijk indien de kans op arbeidsinschakeling van belanghebbende aanmerkelijk verbetert.
 

Artikel 5. Loonkostensubsidie
1. Aan de werkgever die aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers of niet-uitkeringsgerechtigden, een arbeidsovereenkomst aanbiedt, kan een subsidie verstrekt worden van maximaal honderd procent van het wettelijk minimumloon, inclusief vakantietoeslag. De subsidie wordt naar rato verminderd met de arbeidsduur.
2. Het college kan een subsidieplafond vaststellen.
 

Artikel 6. Doorstroomsubsidie
1. Aan de werkgever die met een persoon, tijdens of aansluitend aan de periode dat de persoon met behulp van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, een reguliere arbeidsovereenkomst aangaat, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, van minimaal twaalf maanden, kan een subsidie verstrekt worden van maximaal € 5.000,00 op het moment van afsluiten van de reguliere arbeidsovereenkomst.
2. Voorwaarde voor het recht op de doorstroomsubsidie is dat de werknemer zes maanden na het ingaan van de reguliere arbeidsovereenkomst nog arbeid in loondienst verricht bij die werkgever.

 

Artikel 7. Overgangsregeling bestaande subsidies
Het college kan in het beleidsplan regels stellen ten aanzien van bestaande gesubsidieerde banen.
 

Hoofdstuk 4. Werken met behoud van uitkering

Artikel 8. Proefplaats
1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden voor een bepaalde duur een proefplaats aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.
2. De duur van de proefplaats is maximaal drie maanden en kan eenmalig met maximaal drie maanden verlengd worden.
3. De proefplaats heeft als doel de uitkeringsgerechtigde te laten wennen aan aspecten die samenhangen met de te verrichten specifieke werkzaamheden in betaalde arbeid.
 

Artikel 9. Premie proefplaats
1. Aan uitkeringsgerechtigden die een proefplaats hebben aanvaard zoals bedoeld in artikel 8, kan eenmalig gedurende maximaal zes maanden een premie toegekend worden ter hoogte van maximaal het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder o, van de WWB.
2. De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal gewerkte uren per week en bedraagt:
a. bij een gemiddelde ureninzet van 8 tot 16 uur per week, 25 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
b. bij een gemiddelde ureninzet van 16 tot 24 uur per week 50 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
c. bij een gemiddelde ureninzet van 24 tot 32 uur per week 75 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
d. bij een gemiddelde ureninzet van 32 uur of meer 100 procent van in het eerste lid genoemde bedrag.
3. Niet voor een proefplaatspremie komen in aanmerking personen die minder dan zes maanden onafgebroken een uitkering hebben ontvangen.
 

Artikel 10. Leerwerkplaats
1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden voor een bepaalde duur een leerwerkplaats aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.
2. De duur van de leerwerkplaats is maximaal zes maanden en kan eenmalig met maximaal zes maanden verlengd worden.
3. De eenmalige verlenging van maximaal zes maanden is alleen mogelijk indien de kans op arbeidsinschakeling van belanghebbende aanmerkelijk verbetert.
4. De leerwerkplaats heeft als doel het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

 

Artikel 11. Participatieplaats
1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, voor een bepaalde duur, een participatieplaats aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.
2. Voor zover de uitkeringsgerechtigde niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdrage aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college kan bij deze beoordeling betrekken:
a. het oordeel van degene in wiens opdracht de uitkeringsgerechtigde de werkzaamheden uitvoert;
b. het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
c. de wensen, krachten en bekwaamheden van de uitkeringsgerechtigde.

 

Artikel 12. Premie participatieplaats
1. Aan uitkeringsgerechtigden die een participatieplaats hebben aanvaard zoals bedoeld in artikel 11, kan een premie ter hoogte van telkens maximaal vijftig procent van de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk, genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, van de WWB, worden toegekend.
2. Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes maanden beoordeeld en de hoogte is afhankelijk van het gemiddeld aantal gewerkte uren per week in de voorafgaande zes maanden en bedraagt:
a. bij een gemiddelde ureninzet van 8 tot 16 uur per week, 25 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
b. bij een gemiddelde ureninzet van 16 tot 24 uur per week 50 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
c. bij een gemiddelde ureninzet van 24 tot 32 uur per week 75 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
d. bij een gemiddelde ureninzet van 32 uur of meer 100 procent van in het eerste lid genoemde bedrag.
3. De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de uitkeringsgerechtigde de verplichtingen verbonden aan de participatieplaats in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.
 

Hoofdstuk 5. Overige voorzieningen

Artikel 13. Scholing
1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden, een vorm van scholing aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.
2. De noodzakelijkheid, de duur en de maximale kosten van de scholing worden individueel beoordeeld aan de hand van in het beleidsplan genoemde criteria.
 

Artikel 14. Sociale Activering
Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden, activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.
 

Artikel 15. Premie sociale activering
1. Aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers of niet-uitkeringsgerechtigden, die activiteiten in het kader van sociale activering verrichten zoals bedoeld in artikel 14, kan een premie ter hoogte van telkens maximaal de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk, genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, van de WWB, worden toegekend.
2. Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elk jaar beoordeeld en de hoogte is afhankelijk van het gemiddeld aantal gewerkte uren per week in het voorafgaande jaar en bedraagt, onder aftrek van een elders verkregen vergoeding:
a. bij een gemiddelde ureninzet van 8 tot 16 uur per week, 25 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
b. bij een gemiddelde ureninzet van 16 tot 24 uur per week 50 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
c. bij een gemiddelde ureninzet van 24 tot 32 uur per week 75 procent van in het eerste lid genoemde bedrag;
d. bij een gemiddelde ureninzet van 32 uur of meer 100 procent van in het eerste lid genoemde bedrag.
3. De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de verplichtingen verbonden aan de activiteiten in het kader van sociale activering in de voorafgaande twaalf maanden heeft geschonden.

 

Artikel 16. Premie uitstroom
1. Aan uitkeringsgerechtigden die gesubsidieerde arbeid of regulier werk aanvaarden kan een eenmalige premie worden toegekend indien de uitkeringsgerechtigde arbeid aanvaardt waarmee volledig in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan worden voorzien.
2. De premie is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB, en wordt indien aan de voorwaarden wordt voldaan uitbetaald in twee termijnen:
a. vijftig procent van het bedrag bij beëindiging van de uitkering;
b. vijftig procent van het bedrag nadat negen maanden van arbeid zijn verstreken en de werknemer onafgesloten arbeid heeft verricht.
3. De premie wordt ambtshalve beoordeeld bij beëindiging van de uitkering.
4. Niet voor een uitstroompremie komen in aanmerking personen die minder dan 6 maanden onafgebroken een uitkering hebben ontvangen en personen die de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van de WWB en artikel 13 van de IOAW en IOAZ geschonden hebben.
5. Op basis van een individuele afweging kan in afwijking van de bepalingen in dit artikel worden besloten geen of een lagere uitstroompremie te verstrekken.
 

 

Artikel 17. Onkostenvergoeding
1. Het college kan een vergoeding verstrekken aan belanghebbende voor kosten die gemaakt zijn tijdens deelname aan een voorziening in het kader van arbeidsinschakeling. Het gaat hierbij in ieder geval om:
a. reiskosten;
b. kosten voor kinderopvang.
2. Op de vergoeding wordt in mindering gebracht de op een andere wijze ontvangen vergoeding voor dezelfde kosten.
 

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 18. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 19. Citeerartikel
Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010.
 

 

Artikel 20. Inwerkingtreding
De Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010 treedt in werking met ingang van 1 oktober 2010.