Verordeningen

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Valkenswaard
Officiële naam regelingMonumentenverordening gemeente Valkenswaard 2010
CiteertitelMonumentenverordening gemeente Valkenswaard 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerpMonumenten

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikelen 12, 14 en 15 van de Monumentenwet 1988
  2. artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
19-01-2011 n.v.t. Vervangt Monumentenverordening 2007 08-12-2010 Onbekend 10raad00611

Tekst van de regeling

Monumentenverordening 2010

 

De raad van de gemeente Valkenswaard,

gezien het voorstel van het college van 14 september 2010, gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 14 en 15 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
besluit vast te stellen de volgende:
 

Monumentenverordening gemeente Valkenswaard 2010

 

Artikel

Artikel 1 Begripsbepalingen
Deze verordening verstaat onder:
 

a. monument:
1. zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1;
 

b. gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in onderdeel a, onder 2;
 

c. gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen;
 

d. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken;
 

e. beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;
 

f. kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;
 

g. monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet 1988 en artikel 84 van de Gemeentewet ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid.
 

h. bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument.
 

i. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 

j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 

k. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard.
 

l. omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.


Artikel 2 Het gebruik van het monument
Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

 

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument
1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.
3. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.
4. Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.
5. Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.
6. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
7. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant.

 

Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit
1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.

 

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit
De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.

 

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

 

Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing
1. Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen.
2. Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.
3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, achterwege.
4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

 

Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing
1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede, vierde en vijfde lid, en artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet.
3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

 

Artikel 9 Verbodsbepaling
Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

 

Artikel 10 Vergunning
Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij omgevingsvergunning gestelde voorschriften:
a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

 

Artikel 11 Termijnen advies en vergunningverlening
1. Het college vraagt advies aan de monumentencommissie voordat zij beslist op de aanvraag op grond van artikel 10.
2. Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.
3. Het bevoegd gezag beslist binnen de in de Wabo bepaalde termijn.
4. Het bevoegd gezag kan de in het derde lid genoemde termijn verlengen voor zover de toepassing van de Wabo daarvoor de regels en kaders biedt.
5. Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
6. Een omgevingsvergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking gedurende de in lid 6.1 tweede lid en verder van de Wabo bepaalde termijnen.

 

Artikel 12 Kerkelijk monument
Het bevoegd gezag verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen omgevingsvergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10 dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

 

Artikel 13 Intrekken van de vergunning
1. De omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 10 niet naleeft;
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
d. niet binnen 2 jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
2. Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de monumentencommissie.

 

Artikel 14 Omgevingsvergunning voor beschermd rijksmonument
1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de monumentencommissie.
2. De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.
3. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.

 

Artikel 15 Schadevergoeding
1. Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:
a. de weigering van het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;
b. voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10; schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 16 Strafbepaling
Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
 

Artikel 17 Toezichthouders
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de medewerkers van het team Vergunningen, Toezicht en Handhaving.
2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

 

Artikel 18 Inwerkingtreding
1. Voor zover deze verordening betrekking heeft op het bepaalde ten aanzien van gemeentelijke monumenten in “Monumentenverordening Gemeente Valkenswaard 2007” treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na bekendmaking.
2. Met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de vigerende ‘Monumentenverordening Gemeente Valkenswaard 2007’ ten aanzien van de bepalingen met betrekking tot gemeentelijke monumenten en blijft vervallen de ‘Monumentenverordening Gemeente Valkenswaard 1989’ uitgezonderd hoofdstuk 5 en de Titel.
3. Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.
4. “De monumentenverordening Gemeente Valkenswaard”, voor zover het betreft bepalingen over beschermde rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het derde lid toepassing vindt.
5. De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
6. De gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
7. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken verordening.

 

Artikel 19 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening Gemeente Valkenswaard 2010'.
 

 

Sluiting

Kenmerk: 10raad00611
 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Valkenswaard,
d.d. 28 oktober 2010,

 

de griffier de burgemeester

 


mr. C. Dorsman drs. A.B.A.M. Ederveen