Besluit Wet maatschappelijke ondersteuning Valkenswaard 2011 en verder

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Valkenswaard
Officiële naam regelingBesluit Wet maatschappelijke ondersteuning Valkenswaard 2011 en verder
CiteertitelOnbekend
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet maatschappelijke ondersteuning
  2. Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Valkenswaard 2011 en verder

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-04-2011 n.v.t. Nieuwe regeling 31-03-2011 Onbekend Onbekend

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijving

 

Artikel 1 Begripsbepalingen.
De begripsbepalingen uit de Wet Maatschappelijke ondersteuning en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2011 en verder (hierna de
“verordening”) zijn van toepassing op dit besluit.
 

Hoofdstuk 2. Het gesprek

 

Artikel 2 Het gesprek
Belanghebbende wordt geacht ten tijde van het gesprek aanwezig te zijn, tenzij anders is afgesproken. Indien belanghebbende zonder 24 uur van te voren af te melden, niet op afgesproken tijdstip en locatie aanwezig is, zal er een kostenvergoeding van € 50,- in rekening worden gebracht.
Indien belanghebbende achteraf aan kan tonen dat hij een geldige rede had voor afwezigheid en er geen afmelding mogelijk was, vervalt de plicht tot vergoeding.
 

Hoofdstuk 3. De aanvraag van de individuele voorziening

 

Artikel 3 Voorwaarden en weigeringsgronden
1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:
a) deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;
b) deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt;
c) deze in overwegende mate op het individu is gericht;

2. Geen voorziening wordt toegekend:
a) indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;
b) indien de woonplaats, als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, van de aanvrager niet de gemeente Valkenswaard is;
c) voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt, tenzij de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de aangevraagde voorzieningen alsnog kunnen worden beoordeeld;
d) indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande verordening is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.
e) voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;
f) voor zover van enige andere wettelijke of privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak op een voorziening bestaat;
g) indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikelen 58 en 60 gestelde voorwaarden en verplichtingen.
 

Artikel 4 Gebruik aanvraagformulier
Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier.
 

Artikel 5 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
De aanvraag kan worden ingediend bij het “Zorgloket”. Inzake de AWBZ zal een doorverwijzing plaats vinden naar het Centraal Indicatie Zorg (CIZ). 

 

Hoofdstuk 4. De te bereiken resultaten.

 

Paragraaf 1:
* Een schoon en leefbaar huis
* Voorzien zijn van goederen voor de primaire levensbehoeften
* Beschikken over schone en draagbare kleding
* Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

 

Te bereiken met de inzet van hulp bij het huishouden:

Artikel 6 Algemene omschrijving
De door het college, ter compensatie van beperkingen van belanghebbende, bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
a) een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden;
b) hulp bij het huishouden in natura;
c) een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.
 

Artikel 7 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.
1. Belanghebbende kan voor de in artikel 6 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
a) aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of
b) problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.
2. Belanghebbende kan voor de in artikel 6 onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als:
a) de in artikel 6 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
b) niet beschikbaar is.
 

Artikel 8 Uitsluiting
Het college weigert een voorziening als bedoeld in artikel 6 indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen (AWBZ).
 

Artikel 9 Gebruikelijke zorg
Belanghebbende komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien tot de woning waar deze persoon deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten conform het protocol gebruikelijk zorg Centrum Indicatiestelling Zorg.
 

Artikel 10 Omvang en levering van de hulp bij het huishouden
1. De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt uren, waarbij de toe te kennen taken in de beschikking worden vastgesteld en deze worden uitgedrukt in aantal minuten per taak (zie bijlage 1).

2. Het college verstrekt hulp bij het huishouden in natura op basis van een overeenkomst waarbij de gemeente afspraken heeft gemaakt met verschillende leveranciers waaruit de aanvrager kan kiezen.
 

Artikel 11 Respijtvoorziening
Indien er tijdelijk, doch maximaal 3 weken al dan niet aaneengesloten, geen ondersteuning door een mantelzorger geleverd kan worden, kan belanghebbende voor de in artikel 6 onder b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht in de vorm van een respijtvoorziening met een maximum van 10 uur per jaar. Een andere mogelijke vorm van respijtzorg is het inzetten 6 dagdelen in de vorm van dagbesteding. Een laatste mogelijkheid is die van logeren, 5 nachten of 1 weekend (nu nog alleen bij Valkenhof, later ook bij andere instellingen mogelijk).
 

Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget
1. De vaststelling van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden is afgeleid van het wettelijk minimumloon en vindt als volgt plaats:
Bij inkoop van zorg middels:
a) een particuliere hulp voor de uitvoering van HH1 wordt het normbedrag persoonsgebonden budget berekend op basis van 125 % van het geldende minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren);
b) een particuliere gediplomeerde hulp voor de uitvoering van een indicatie HH2 wordt het normbedrag persoonsgebonden budget berekend op basis van 150 % minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren);
c) een erkende zorgaanbieder wordt het normbedrag persoonsgebonden budget vastgesteld op het laagste uurtarief dat bij de aanbesteding en gunning aan de zorgaanbieders tot stand is gekomen voor de betreffende geïndiceerde categorie.
2. Bovengenoemde normbedragen persoonsgebonden budget worden jaarlijks vastgesteld op 1 januari op basis van het dan geldende wettelijk minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld en vakantie-uren. De normbedragen gelden vervolgens het volledige kalenderjaar.
3. Voor persoonsgebonden budget-houders die tot 01-04-2011 al recht hadden op een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden bestaat bij een voortdurende indicatie een overgangstermijn van 6 maanden. Gedurende de overgangstermijn wordt het persoonsgebonden budget berekend op basis van de bedragen die tot 01-04-2011 golden, tenzij de nieuwe regels gunstiger zijn.
4. Persoongebonden budget-houders die tot 01-04-2011 al recht hadden op een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en die met een overeenkomst en bankbetaling kunnen aantonen, dat het overeengekomen tarief hoger is dan 125 % van het wettelijk minimumloon, zullen voor de looptijd van de overeenkomst bij een voortdurende indicatie, het persoonsgebonden budget behouden volgende de tarieven die golden op 01-04-2011.

 

Paragraaf 2: * Wonen in een geschikt huis
* Zich verplaatsen in en om de woning

Te bereiken met de inzet van een woonvoorziening

Artikel 13 Type woonvoorzieningen
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:
a) een algemene woonvoorziening;
b) een woonvoorziening in natura;
c) een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;
d) een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.
 

Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen
1. Belanghebbende kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien er aantoonbare beperkingen zijn die het normale gebruik van de woning belemmeren en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.
2. Indien deze voorziening niet aanwezig is of niet tot een snelle en compenserende oplossing leidt kan belanghebbende voor de in artikel 13, onder b.,c. en d. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien er aantoonbare beperkingen zijn die het normale gebruik van een woning belemmeren die een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken.
 

Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen
De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:
a) een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;
b) een tegemoetkoming in de kosten van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (woningaanpassing);
c) een verstrekking in bruikleen of een persoonsgebonden budget voor een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;
d) een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie;
e) een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting;
f) een tegemoetkoming in de kosten van huurderving;
g) een tegemoetkoming in de kosten van een uitraasruimte.
 

Artikel 16 Primaat van de verhuizing
1. Belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.
2. Belanghebbende of een persoon die op verzoek van het college, ten behoeve van belanghebbende de woning heeft ontruimd, kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht.
3. Belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b., c., d., e., f. en g in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst-compenserende oplossing is, mits de aanvrager belemmeringen ervaart in het normale gebruik van de woning.
4. Belanghebbende kan eveneens voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b., c., d., e., f. en g. in aanmerking komen, wanneer een verhuizing tot gevolg heeft dat de belastbaarheid van de mantelzorg, danwel vrijwillige (buren)hulp dusdanig wordt aangetast, dat deze niet meer uitgevoerd kan worden.
5. Belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder g. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.
 

Artikel 17 Hoogte financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten
Een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten bedraagt € 3.500,--. Na overleg van een kopie van het nieuwe huur- of koopcontract wordt het bedrag overgemaakt op de rekening van belanghebbende.
 

Artikel 18 Kosten bouwkundige of woontechnische woonvoorziening
Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen komen voor vergoeding in aanmerking:
a) De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed;
b) De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling van de woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking;
c) Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10 % van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;
d) De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, zijn maximaal 2 procent van de aanneemsom;
e) De leges voor zover deze betreffing hebben op het treffen van de voorziening;
f) De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;
g) Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van de voorziening;
h) De door Burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhoging, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;
i) De kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing;
j) De kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;
k) De administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor belanghebbende, voor zover de kosten onder a. t/m j. meer dan € 907,-- bedragen, 10 % van die kosten, met een maximum van € 340,--;
l) Bij woningaanpassingen inzake woningen in eigendom ten hoogte van € 5.000,-- of meer, kan door Burgemeester en wethouders aan belanghebbende de verplichting opgelegd worden om 2 offertes in te dienen van de betreffende woningaanpassing.
 

Artikel 19 Primaat van de losse woonunit
Indien een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan, of een aanzienlijke verbouwing, nu en te verwachten binnen het jaar, (duurder dan € 20.000,- ) van een woning die het eigendom is van een verhuurder, die niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen aan belanghebbende, kan het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken of verhuizing in overweging genomen worden.
 

Artikel 20 Hoogte persoonsgebonden budget voor niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen
Een persoonsgebonden budget voor niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen, zoals genoemd in artikel 13 sub c, wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de voor de gemeente goedkoopst compenserende voorziening, zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald.
 

Artikel 21 Hoofdverblijf
1. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.
2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid en het gestelde in artikel 3, lid 2 onderdeel b, kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
4. Het bedrag dat als maximum wordt verstrekt bij het bezoekbaar maken van een woning zoals bedoeld in het tweede lid bedraagt € 5.000,-.
5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer, een toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf kan bereiken.
 

Artikel 22 Financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening
1. De kosten van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening zoals bedoeld in artikel 15, lid d. betreft het onderhoud, reparatie en keuring van een woonvoorziening;
2. De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de keuring zoals bedoeld in het eerste lid zal het bedrag zoals opgenomen in onderstaande tabel niet te boven gaan;

Keuring van liften Beginkeuring Kosten excl. BTW Frequentie per. keuring Kosten excl. BTW
Stoellift ja € 322,61 1 x per 4 jaar € 234,64
Rolstoelplateaulift ja € 322,61 1 x per 4 jaar € 234,64
Staplateaulift ja € 322,61 1 x per 4 jaar € 234,64
Woonhuislift ja € 499,68 1 x per 1,5 jaar € 286,78
Hefplateaulift ja € 507,29 1 x per 1,5 jaar € 291,10
Balansliften * * 1 x per 1,5 jaar € 83,64

3. De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het onderhoud zoals bedoeld in het eerste lid zal het bedrag zoals opgenomen in onderstaande tabel niet te boven gaan;

Onderhoud van Frequentie Kosten excl. BTW
Stoellift 1 x per jaar € 458,37
Rolstoelplateaulift 1 x per jaar € 458,37
Staplateaulift 1 x per jaar € 458,37
Woonhuislift 2 x per jaar € 916,74
Hefplateaulift 2 x per jaar € 916,74
Balansliften 1 x per jaar € 458,37

Maximale toeslagen op bovenstaande tarieven:
 50 % voor installaties geplaatst buiten de woning;
 50 % voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen;
 50 % voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging respectievelijk elektrisch wegklapbare raildelen.
 

Artikel 23 Woningsanering
Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Voor de normbedragen wordt aangesloten bij het beleid van de Bijzondere Bijstand (zie bijlage 2)
 

Artikel 24 Kosten van tijdelijke huisvesting
De hoogte van een door de Burgemeester en wethouders te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op Huurtoeslag.
De maximale duur gedurende welke financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting kan worden verstrekt, bedraagt 6 maanden.
 

Artikel 25 Kosten van huurderving
a) Een financiële tegemoetkoming in verband met de derving van huurinkomsten wordt slechts verstrekt indien de betreffende woonruimte is aangepast voor meer dan
€ 5.000,--.
b) De hoogte van een door Burgemeester en wethouders te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, met een maximum bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op Huurtoeslag.
c) De maximale duur gedurende welke een financiële tegemoetkoming in verband met de derving van huurinkomsten kan worden verstrekt, bedraagt 6 maanden.
d) Geen financiële tegemoetkoming in verband met de derving van huurinkomsten wordt verstrekt ter zake van huurderving over de eerste maand aansluitend aan de datum waarop de gelding van de huurovereenkomst is verstreken.
 

Artikel 26 Weigeringgronden
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
1. De aanvraag betrekking heeft op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en AWBZ-woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie van in dit artikel genoemde woonvormen zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;
2. De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
3. De aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw zoals omschreven in de verordening;
4. De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe geen aanleiding bestond op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek;
5. De aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
6. Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, uitgezonderd automatische deuren, hiervoor vindt een 50/50 vergoeding plaats;
7. De woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
8. De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ- instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;
9. De financiële tegemoetkoming bedoeld in artikel 13, onder d. wordt verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de aanvrager eerder een woning bezoekbaar is gemaakt in de afgelopen 10 jaar.
10. Beperking zeer dure woonvoorziening: Woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45.378,- worden niet verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
 

Artikel 27 Terugbetaling bij verkoop
De eigenaar, die krachtens de verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard, of een aan deze verordening voorafgaande verordening een woonvoorziening heeft ontvangen, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 7 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden.
De aanpassingskosten van de woning dient volgens het door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald (zie bijlage 3)

 

Paragraaf 3: * Zich verplaatsen in en om de woning
* Zich lokaal verplaatsen (per vervoermiddel)

Te bereiken met de inzet van een rolstoelvoorziening

Artikel 28 Vormen van voorzieningen
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
a. een algemene voorziening waaronder een algemene rolstoelvoorziening;
b. een individuele rolstoelvoorziening te weten:
- een rolstoelvoorziening in natura;
- een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;
c. een gemaximeerde financiële tegemoetkoming te besteden aan een sportvoorziening.
 

Artikel 29 Rolstoelvoorzienning in natura
De kosten bij de verstrekking van een rolstoelvoorziening in natura alsmede de kosten van onderhoud, gebruik, reparaties en accessoires voor rolstoelen worden volledig vergoed en bepaald op werkelijke kosten, uiteraard dient ook ten aanzien van deze kosten de noodzaak vast te staan en moet het gaan om de goedkoopst-compenserende voorziening. Onderhoudskosten die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de gebruiker aangebrachte modificaties aan de rolstoelvoorziening komen niet voor vergoeding in aanmerking.
 

Artikel 30 Persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening
Het verstrekken van een persoonsgebonden budget is bestemd voor aanschaf, aanpassing, onderhoud, service en reparatie en eventueel verzekering van de rolstoel. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst-compenserende voorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie voor vergelijkbare rolstoelen. Het persoonsgebonden budget wordt in jaarlijkse termijnen uitgekeerd.

Op het persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorzienig zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1. De voorziening moet voorzien zijn van minimaal het CE-keurmerk;
2. De voorziening moet binnen 6 maanden na de verzenddatum van de beschikking zijn aangeschaft;
3. De aangeschafte middelen ten behoeve van het doel, zijn eigendom van de betreffende burger;
4. Het afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar;
5. Als na 5 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is wordt deze regeling niet opnieuw toegepast; dat eerst zodra genoemde voorziening niet in alle redelijkheid bruikbaar is of in geval van onevenredige hoge onderhoudskosten. Op het moment van heraanschaf begint in het nieuwe afschrijvingstermijn van 5 jaren; op dat moment is in principe, bij ongewijzigd beleid, weer een forfaitaire vergoeding beschikbaar;
6. Vervanging na 5 jaar geschiedt alleen na technisch afkeuringsrapport;
7. Indien belanghebbende geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren vervalt de restwaarde naar evenredigheid terug aan de gemeente;
8. Indien belanghebbende geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren kan het voorschot voor onderhoud en reparatie van het persoongebonden budget teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik;
9. De gebruiksbestemming van het hulpmiddel is cliëntgebonden;
10. Het bedrag inclusief de vergoeding voor onderhoud en reparatie wordt in 5 termijnen (jaarlijks) overgemaakt op de rekening van de belanghebbende;
11. Er geldt geen eigen bijdrage voor de rolstoelvoorziening.
 

Artikel 31 financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening
Een voorziening zoals bedoeld in artikel 28 onder c wordt uitsluitend verstrekt als een gemaximeerde financiële tegemoetkoming. Het bedrag van deze financiële tegemoetkoming bedraagt € 3.000,- welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van 3 jaar. De uitbetaling vindt plaats in de vorm van een eenmalige uitkering.
Indien er na 3 jaar een financiële tegemoetkoming voor een gelijksoortige sportvoorziening wordt aangevraagd zal er eerst een technische inspectie plaats vinden.

 

Paragraaf 4: * Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
* De mogelijkheid om regionaal contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten

 

Te bereiken met de inzet van een vervoersvoorziening

 

Artikel 32 Algemene omschrijving
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
a) een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;
b) een vervoersvoorziening in natura;
c) een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening;
d) een financiële tegemoetkoming in de kosten van een vervoersvoorziening;

 

Artikel 33 Algemene vervoersvoorziening
Belanghebbende kan voor de in artikel 32 onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht aantoonbare beperkingen;
a) het gebruik van het openbaar vervoer of ;
b) het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
 

Artikel 34 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening
Indien het inkomen uit werk en/of uitkering en/of pensioen en/of rente uit vermogen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen uit werk en/of uitkering en/of pensioen en/of rente uit vermogen van duurzaam samenwonende personen meer bedraagt dan 1,8 maal het netto-norminkomen als bepaald in de wet Werk en Bijstand, artikel 20 t/m 24 voor een alleenstaande c.q. duurzaam samenwonende partners, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruik- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.
 

Artikel 35 Vervoersgebied collectief vraagafhankelijk vervoer
Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer vanaf het hoofdverblijf mag de rit maximaal 5 zones bedragen. Het jaarlijks aantal strippen is vastgesteld op 700 strippen.
Bij de bepaling van het aantal strippen kan rekening gehouden worden met de individuele omstandigheden. Het aantal toe te kennen strippen kan worden verhoogd op grond van de hardheidsclausule. Het maximaal aantal toe te kennen strippen bedraagt 1400.
 

Artikel 36 Eigen bijdrage
Op de vervoersvoorziening zoals genoemd in artikel 32 onder a. wordt geen eigen bijdrage gerekend, aangezien hier al een opstaptarief voor rekening van belanghebbende geldt.
 

Artikel 37 Primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer
Belanghebbende kan voor de in artikel 32 onder b. c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen:
a) het gebruik van het openbaar vervoer of
b) het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
c) het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 32 onder a., onmogelijk maken dan wel;
d) een collectief systeem als bedoeld in artikel 32 onder a., niet aanwezig is dan wel
e) aanvullend is op het collectief vervoer als bedoeld in artikel 32 onder a.
 

Artikel 38 Vervoersvoorziening in natura
1. Een voorziening in natura kan verstrekt worden in de vorm van een verplaatsingsmiddel;
2. Het college verstrekt een vervoersvoorziening als genoemd in artikel 32 onder b. op basis van een leaseovereenkomst, waarbij kosten voor onderhoud, service en reparatie en verzekering zijn inbegrepen;
3. Het college kan na verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van een scootermobiel belanghebbende oproepen voor een of meerdere rijlessen. Belanghebbende is dan verplicht hieraan deel te nemen, tenzij belanghebbende zwaarwegende bezwaren heeft.
 

Artikel 39 Persoonsgebonden budget
1. Een persoonsgebonden budget wordt alleen maar verstrekt voor de kosten van:
a) aanschaf van een ander vervoermiddel;
b) reparatie en onderhoud en verzekering van een ander vervoermiddel.
2. Het persoonsgebonden budget voor een scootermobiel driewielfiets of een ander vervoermiddel wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, gebaseerd op het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie over het jaar voorafgaand aan het laatste volle kalenderjaar voor de toekenning voor een voorziening. Dit persoonsgebonden budget wordt uitbetaald in 5 termijnen van 1 jaar voor onderhoud en reparatie. Het eerste termijn is verhoogd met het aanschafbedrag.

Op het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorzienig zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1. De voorziening moet voorzien zijn van minimaal het CE-keurmerk;
2. De voorziening moet binnen 6 maanden na de verzenddatum van de beschikking zijn aangeschaft;
3. De aangeschafte middelen ten behoeve van het doel, zijn eigendom van de betreffende burger;
4. Het afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar;
5. Als na 5 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is wordt deze regeling niet opnieuw toegepast; dat eerst zodra genoemde voorziening niet in alle redelijkheid bruikbaar is of in geval van onevenredige hoge onderhoudskosten.
6. Vervanging na 5 jaar geschiedt alleen na technisch afkeuringsrapport;
7. Op het moment van heraanschaf begint in de nieuwe afschrijvingstermijn van 5 jaren; op dat moment is in principe, bij ongewijzigd beleid, weer een forfaitaire vergoeding beschikbaar;
8. Indien belanghebbende geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren vervalt de restwaarde naar evenredigheid terug aan de gemeente;
9. Indien belanghebbende geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren kan het voorschot voor onderhoud en reparatie van het persoongebonden budget teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik;
10. De gebruiksbestemming van het hulpmiddel is cliëntgebonden;
11. Het bedrag inclusief de vergoeding voor onderhoud en reparatie wordt in 5 termijnen (jaarlijks) overgemaakt op de rekening van de cliënt;
12. Bij verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening zoals hierboven genoemd is een eigen bijdrage van toepassing.

3. Het college kan na verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening in de vorm van een scootermobiel belanghebbende oproepen voor een of meerdere rijlessen. Belanghebbende is dan verplicht hieraan deel te nemen, tenzij belanghebbende zwaarwegende bezwaren heeft.
 

Artikel 40 Financiële tegemoetkoming
1. Een financiële tegemoetkoming wordt alleen maar verstrekt voor de kosten:
a) van aanpassing van een eigen vervoermiddel.
b) gebruik van een taxi of een eigen auto;
c) gebruik van een rolstoeltaxi.
 

Artikel 41 Hoogte financiële tegemoetkoming
1. Indien geen gebruik gemaakt kan worden van het collectief vraagafhankelijk vervoer kan men in aanmerking komen voor onder artikel 40 onder a. genoemde voorziening. Voorwaarden hiervoor zijn:
 Het inkomen van de aanvrager is hoger dan het gestelde norminkomen;
 De aan te passen auto is niet ouder dan 3 jaar; of heeft een kilometerstand van minder dan 35.000;
 De afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar;
 Als na 5 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is, wordt deze regeling niet opnieuw toegepast; dat eerst zodra genoemde voorziening niet in alle redelijkheid bruikbaar is of in geval van onevenredige hoge onderhoudskosten. Op het moment van heraanschaf begint de nieuwe afschrijvingstermijn van 5 jaren; op dat moment is in principe, bij ongewijzigd beleid, weer een financiële tegemoetkoming beschikbaar;
 Vervanging na 5 jaar geschiedt alleen na technisch afkeuringsrapport.
2. Indien geen gebruik gemaakt kan worden van collectief vraagafhankelijk vervoer kan men in aanmerking komen voor onder artikel 40 onder b. en c. genoemde voorziening. Voor de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt verwezen naar bijlage 4.
 

Artikel 42 Afstemming op behoefte
1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door
de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen mogelijk maken met het in artikel 35 bepaalde aantal strippen dan wel een financiële tegemoetkoming.
 

Artikel 43 Bijzondere regels kostenvergoeding
Kosten die het gevolg zijn oneigenlijk of onverantwoordelijk gebruik en beheer door de gebruiker en door de gebruiker aangebrachte modificaties aan de vervoersvoorziening komen niet voor vergoeding in aanmerking.
 

Artikel 44 Bijzondere regels vervoersvoorziening
Een aanvraag voor een voorziening in natura, zoals bedoeld in artikel 41, wordt eenmaal per 5 kalenderjaren verstrekt.

 

Hoofdstuk 5. Verstrekkingswijze

 

Artikel 45 Keuzevrijheid
Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Conform bepalingen in de wet stelt het college vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de volgende criteria.
 

Artikel 46 Criteria voor de keuzevrijheid
Voorziening in natura:
Het kenmerk van een voorziening in natura is, dat deze niet in de vorm van een geldsom wordt verstrekt. De desbetreffende voorziening wordt in lease of eigendom verstrekt en bij huishoudelijke hulp ontvangt de aanvrager hulp in de vorm van een persoon, die dienstverlening verzorgt.

Indien van de voorziening geen of niet langer gebruik wordt gemaakt, vloeit de in lease verstrekte voorziening terug naar de gemeente en kan deze voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel) weer hergebruikt worden.

Financiële tegemoetkoming:
Het kenmerk van een financiële tegemoetkoming is, dat de vergoeding voor een voorziening altijd betrekking heeft op een deel van de meerkosten. Artikel 48 van dit Besluit geeft een limitatieve opsomming van de voorzieningen, die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De aanvrager heeft hierin geen keuze.

Persoonsgebonden budget:
Een persoonsgebonden budget is een geldsom, waarmee de aanvrager de aanschaf kan bekostigen dan wel dienstverlening kan inkopen. Indien de voorziening om wat voor rede dan ook voortijdig stopt of foutief besteed wordt, kan de gemeente Valkenswaard het uitgekeerde bedrag, of een deel daarvan terugvorderen,

De aanvrager kan kiezen of hij een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wil ontvangen met uitzondering van de situatie zoals bedoeld in artikel 53 van dit Besluit.
 

Paragraaf 1 De financiële tegemoetkoming
 

Artikel 47 Vorm van verstrekking
Een financiële tegemoetkoming bestaat uit een:
a) forfaitair bedrag; of
b) een maximale bijdrage.

 

Artikel 48 Kostensoorten
De kostensoorten die voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen zijn:
1. Bij de volgende kostensoorten wordt een forfaitair bedrag verstrekt:
a) woningaanpassing
b) woningsanering
c) tijdelijke huisvesting
d) huurderving
e) woonkosten
f) vervoerskosten
2. Bij de volgende kostensoorten wordt een maximale bijdrage verstrekt:
g) verhuis- en inrichtingskosten
h) sportrolstoel.
 

Artikel 49 Verantwoording
1. Bij de verstrekking van een forfaitair bedrag, zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid onder a. t/m e. dient de aanvrager binnen 15 maanden na toestemming verantwoording af te leggen door het overleggen van betalingsbewijzen.
2. Bij de verstrekking van een maximale bijdrage, zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid onder g., dient de aanvrager binnen 15 maanden na toestemming verantwoording af te leggen door het overleggen van betalingsbewijzen.
3. Bij de verstrekking van een maximale bijdrage, zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid onder h., legt de aanvrager binnen 6 maanden verantwoording af door het overleggen van betalingsbewijzen en eventuele relevante bescheiden.
 

Artikel 50 Beschikking
Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in artikel 49, aangevuld met de voorwaarden in de Verordening in de beschikking opgenomen.
 

Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget
 

Artikel 51 Persoonsgebonden budget
1. Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a) een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen;
b) de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst-compenserendst te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in artikels 22, 30 en 39 in dit Besluit;
c) De vergoeding voor instandhoudingkosten zullen in jaarlijkse termijnen betaald worden.
d) de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld is door het college per onderdeel vastgelegd in dit Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard;
e) bij beëindiging van een voorziening vervalt de restwaarde van het al verstrekte persoonsgebonden budget naar evenredigheid terug aan de gemeente Valkenswaard;
f) het voorschot voor de kosten van onderhoud en verzekering van het persoonsgebonden budget, maar ook de kosten van de voorziening zelf, kan, zodra de voorziening niet meer wordt gebruikt, teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik;

2. De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang, de uit te betalen termijnen en de looptijd van de voorziening worden bij beschikking vastgesteld;
3. Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen;
4. Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door storten op de rekening van de aanvrager / eigenaar van het onroerend goed. Indien er sprake is van instandhoudingkosten, worden deze in jaarlijkse termijnen gestort;
5. Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in artikelen 54 en 55 van dit besluit op verzoek van het college per omgaande te verstrekken;
6. Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.
 

Artikel 52 Verzoek aanvrager
Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager.
 

Artikel 53 Weigering van een persoonsgebonden budget
1. Er is sprake van overwegende bezwaren bij de toekenning van een persoonsgebonden budget, als uit onderzoek blijkt, dat de aanvrager niet op een verantwoorde wijze zal of kan omgaan met een persoonsgebonden budget danwel door handelsonbekwaamheid als door onjuist gebruik;
2. Een persoonsgebonden budget wordt geweigerd wanneer belanghebbende onder bewind staat in het kader van schuldhulpverlening;
3. Een persoonsgebonden budget wordt tevens geweigerd als verstrekking hiervan naar beoordeling van het college uit oogpunt van persoonsgebonden problematiek onwenselijk is;
4. Indien een persoonsgebonden budget wordt geweigerd, maar overigens aan de criteria wordt voldaan van een individuele voorziening, wordt een algemene voorziening of een voorziening in natura verstrekt.
 

Artikel 54 Verantwoording persoonsgebonden budget bij aanschaf van een voorziening
1. Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor de koop van een voorziening legt de budgethouder verantwoording af aan het college door, binnen maximaal 4 weken nadat het college daarom heeft verzocht, bewijsstukken te overleggen over de besteding van het persoonsgebonden budget. De bewijsstukken dienen op naam van de budgethouder te zijn gesteld en duidelijk aan te geven op welke voorziening deze betrekking hebben;
2. Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.
 

Artikel 55 Verantwoording persoonsgebonden budget bij de voorziening hulp bij het huishouden
Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor hulp bij het huishouden legt de budgethouder, op verzoek van het college, verantwoording af aan het college of de door het college aangewezen uitvoerende instantie. Budgethouder dient de volgende bescheiden te overleggen;
- Kopieën van de declaratieformulieren over het voorgaande jaar
- Kopieën van de betalingsbewijzen
- Een kopie van de overeenkomst met de hulp
- Een kopie van het verzorgingsdiploma (alleen bij HH2)
 

Paragraaf 3 Eigen bijdrage en eigen aandeel

Artikel 56 Eigen bijdrage
1. De persoon met beperkingen van 18 jaar of ouder die in aanmerking wordt gebracht voor een individuele voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden, een vervoersvoorziening of een woonvoorziening in natura of persoonsgebonden budget, is een eigen bijdrage verschuldigd, in het geval van een financiële tegemoetkoming is men een eigen aandeel verschuldigd, tenzij anders is bepaald in dit besluit;
2. De omvang van de eigen bijdrage en eigen aandeel wordt berekend aan de hand van het bepaalde in artikel 4.1 van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning (algemene maatregel van bestuur). Dit bedrag wordt geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK);
3. Indien de voorziening in de vorm van een lease overeenkomst (natura) of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt gedurende maximaal vijfenzestig perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening gebracht;
4. Indien de voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt gedurende gehele looptijd van de voorziening een eigen bijdrage in rekening gebracht.
 

Artikel 57 Voorzieningen zonder eigen bijdrage of aandeel
1. Er wordt geen eigen bijdrage opgelegd voor de (sport) rolstoelen omdat dit op grond van artikel 4.1. lid 4 van het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning niet is geoorloofd;
2. Er wordt geen eigen bijdrage opgelegd voor de collectieve vervoersvoorziening omdat bij gebruikmaking van collectief vervoer de klant al bijdraagt in de kosten. Immers de klant moet een deel van de kosten van een rit zelf betalen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de eigen auto, het (rolstoel)taxivervoer en de bijdrage in brandstof/elektriciteitskosten voor een vervoersvoorziening. Ten aanzien van deze voorzieningen dient de persoon met beperkingen al zelf bij te dragen in de kosten;
3. De kosten van tijdelijke huisvesting wordt verleend aan de eigenaar van een woning, veelal de woningcorporatie. Het is niet goed voorstelbaar dat die eigenaar een eigen aandeel zou moeten betalen;
4. Voor verhuis- en inrichtingskosten is een normbedrag bepaald, waardoor de persoon met beperkingen zelf al bijdraagt in de kosten;
5. Respijtzorg is er ter ontlasting van mantelzorg en is van beperkte duur, derhalve wordt er geen eigen bijdrage geheven.

 

Hoofdstuk 6. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming, intrekking en terugvordering

 

Artikel 58 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking
1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening:
a) op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;
b) op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.
2. Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:
a) de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen;
b) het college dat overigens gewenst vindt.
3. Belanghebbende is verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
4. Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.
 

Artikel 59 Wijzigingen in de situatie
Degene aan wie krachtens de “Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2011 en verder” inclusief bijbehorende toelichting en besluit, of een voorgaande verordening, een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
 

Artikel 60 Intrekking van een voorziening
1. Het college kan een besluit, genomen op grond van de verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
a) niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens dit besluit en de verordening;
b) op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;
c) de aanvrager niet langer woonachtig is in de gemeente Valkenswaard
d) de vastgestelde eigen bijdrage niet is betaald;
e) de aanvrager recht blijkt te hebben op vergoedingen of verstrekkingen van derden;
f) de aanvrager niet voldaan heeft aan de t.b.v. de uitvoering van dit Besluit opgestelde uitvoeringsregels.
g) de aanvrager overlijdt.
2. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden;
3. Bij overlijden van de budgethouder eindigt het persoonsgebonden budget op de dag gelegen na de dag waarop de budgethouder overlijdt.
 

Artikel 61 Samenhangende afstemming
Om het verkrijgen van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager, worden bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 58 van dit besluit de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
a. de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;
b. de belemmeringen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek;
c. de woning en de woonomgeving van de aanvrager;
d. het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;
e. de sociale omstandigheden (waaronder de participatiemogelijkheden) van de aanvrager;
f. de leefsituatie waarin de aanvrager zich bevindt.
Het college maakt in zijn besluit tot verstrekking van een voorziening inzichtelijk op welke wijze de omstandigheden zoals bedoeld in a. tot en met f. zijn meegenomen in de besluitvorming.
 

Artikel 62 Terugvordering
1. In geval een besluit wordt ingetrokken kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd;
2. In geval het recht op een in nature verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens


 

Hoofdstuk 7. Slotbepaling

 

Artikel 63 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen of krachtens dit Besluit, indien toepassing van dit Besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
 

Artikel 64 Indexering
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van dit Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2011 en verder en de bijbehorende Verordening geldende bedragen verhogen of verlagen.
 

Artikel 65 Inwerkingtreding
Dit Besluit, behorend bij de verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2011 en verder en de toelichting hierop, treedt in werking op 01 april 2011. Alle voorgaande Besluiten m.b.t. de Wmo vervallen met de inwerkingstelling van dit Besluit.
 

Artikel 66 Citeertitel
Dit Besluit kan worden aangehaald als Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2011 en verder.
 

Bijlage 1. Tijdsnormering Hulp bij het Huishouden

Let op: tijdnormering is indicatief. Altijd individuele afweging maken. Als er reden is om af te wijken van deze normeringen, kan dat, mits onderbouwd, altijd.

Hulp bij het huishouden alleenstaande in een seniorenwoning/flat
Nr Activiteiten Minuten Uren
1.1 Boodschappen doen voor het dagelijks leven 60 p week 1 uur
1.2 Broodmaaltijd bereiden (ochtend+avond samen) 15 p dag 1 u 45
1.3 Warme maaltijd opwarmen magnetron 15 p dag 1 u 45
1.4 Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc) 55 p week 0 u 55
1.5 Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc) 80 p week 1 u 20
1.6 De was doen (kleding/linnengoed wassen) 55 p week 0 u 55

Nr. combinaties Veel voorkomende combinaties Minuten Uren
1.4 + 1.5 Licht en zwaar 175 min. 2 u 55
1.4 + 1.6 Licht en was 110 min. 1 u 50
1.5 + 1.6 Zwaar en was 135 min. 2 u 15
1.4 + 1.5 + 1.6 Licht, zwaar en was 190 min. 3 u 10
1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood (7x), licht, zwaar en was 295 min. 4 u 55
1.2 + 1.3 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood, warm, licht, zwaar en was 400 min. 6 u 40

Hulp bij het huishouden alleenstaande in een eengezinswoning (norm sociale woningbouw)

Nr Activiteiten Minuten Uren
1.1 Boodschappen doen voor het dagelijks leven 60 p week 1 uur
1.2 Broodmaaltijd bereiden (ochtend+avond samen) 15 p dag 1 u 45
1.3 Warme maaltijd opwarmen magnetron 15 p dag 1 u 45
1.4 Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc) 55 p week 0 u 55
1.5 Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc) 140 p week 2 u 20
1.6 De was doen (kleding/linnengoed wassen) 55 p week 0 u 55


Nr. combinaties Veel voorkomende combinaties Minuten Uren
1.4 + 1.5 Licht en zwaar 195 min. 3 u 15
1.4 + 1.6 Licht en was 110 min. 1 u 50
1.5 + 1.6 Zwaar en was 195 min. 3 u 15
1.4 + 1.5 + 1.6 Licht, zwaar en was 250 min. 4 u 10
1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood (7x), licht, zwaar en was 355 min. 5 u 55
1.2 + 1.3 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood, warm, licht, zwaar en was 460 min. 7 u 40

 

Hulp bij het huishouden twee-/meerpersoonshuishouden in een seniorenwoning / flat

Nr Activiteiten Minuten Uren
1.1 Boodschappen doen voor het dagelijks leven 60 p week (evt +) 1 uur
1.2 Broodmaaltijd bereiden (ochtend+avond samen) 15 p dag (evt +) 1 u 45
1.3 Warme maaltijd opwarmen magnetron 15 p dag (evt +) 1 u 45
1.4 Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc) 60 p week (evt +) 1 uur
1.5 Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc) 140 p week (evt +) 2 u 20
1.6 De was doen (kleding/linnengoed wassen) 75 p week 1 u 15

‘evt + ' houdt in, dat extra tijd geïndiceerd kan worden bij grotere leefeenheden, aanwezigheid van kleine kinderen, extra bewassing etc.


Nr. combinaties Veel voorkomende combinaties Minuten Uren
1.4 + 1.5 Licht en zwaar 200 min. 3 u 20
1.4 + 1.6 Licht en was 135 min. 2 u 15
1.5 + 1.6 Zwaar en was 215 min. 3 u 35
1.4 + 1.5 + 1.6 Licht, zwaar en was 275 min. 4 u 35
1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood (7x), licht, zwaar en was 380 min. 6 u 20
1.2 + 1.3 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood, warm, licht, zwaar en was 485 min. 8 u 05

 

Hulp bij het huishouden twee-/meerpersoonshuishouden in een eengezinswoning (norm sociale woningbouw)


Nr Activiteiten Minuten Uren
1.1 Boodschappen doen voor het dagelijks leven 60 p week (evt +) 1 uur
1.2 Broodmaaltijd bereiden (ochtend+avond samen) 15 p dag (evt +) 1 u 45
1.3 Warme maaltijd opwarmen magnetron 15 p dag (evt +) 1 u 45
1.4 Licht huishoudelijk werk (kamers opruimen etc) 75 p week (evt +) 1 u 15
1.5 Zwaar huishoudelijk werk (huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen etc) 160 p week (evt +) 2 u 40
1.6 De was doen (kleding/linnengoed wassen) 75 p week 1 u 15

 

‘evt + ' houdt in, dat extra tijd geïndiceerd kan worden bij grotere leefeenheden, aanwezigheid van kleine kinderen, extra bewassing etc.


Nr. combinaties Veel voorkomende combinaties Minuten Uren
1.4 + 1.5 Licht en zwaar 235 min. 3 u 55
1.4 + 1.6 Licht en was 150 min. 2 u 30
1.5 + 1.6 Zwaar en was 235 min. 3 u 55
1.4 + 1.5 + 1.6 Licht, zwaar en was 310 min. 5 u 10
1.2 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood (7x), licht, zwaar en was 415 min. 6 u 55
1.2 + 1.3 + 1.4 + 1.5 + 1.6 Brood, warm, licht, zwaar en was 520 min. 8 u 40


Nr Activiteiten Minuten Uren
2.1 Anderen helpen in huis met zelfverzorging n.v.t Tot max. 40 uur per week
2.2 Anderen helpen in huis met bereiden maaltijd n.v.t. Tot max. 40 uur per week
2.3 (Dagelijkse) organisatie van het huishouden 30 min. p. week 0 u 30
Hulp bij het huishouden overige activiteiten alleenstaanden/ twee- of meerpersoons leefeenheden
 

Bijlage 2. Woningsanering

 

Hieronder zijn de artikelen opgenomen die bij woningsanering in aanmerking komen voor vervanging:

De slaapkamer

Vloerbedekking (2 meter breed vinyl op vilt) per meter € 15,04
Legloon per m2 € 5,02
Overgordijnen per meter 120cm breed (1,5 x de breedte) € 7,83
Maakloon per baan € 8,14
Vitrage per meter (hoogte 1.50 – 1.80) (2 x de breedte) € 5,02
Vitrage per meter (hoogte 2.20) (2 x de breedte) € 6,28
Maakloon per meter € 5,96

De woonkamer

Vloerbedekking kamerbreed 4m, per strekkende meter € 50,76
Legloon per strekkende meter € 8,80
Overgordijnen per meter 120cm breed (1,5 x de breedte) € 12,24
Maakloon per baan € 8,14
Vitrage per meter (hoogte 1.50 – 1.80) (2 x de breedte) € 5,65
Vitrage per meter (hoogte 2.20) (2 x de breedte) € 6,89
Maakloon per meter € 5,96

De vergoeding voor rolstoeltapijt is overeenkomstig de vergoeding voor vloerbedekking legloon in de woonkamer.

De ouderdom van de te saneren stoffering is bepalend voor de hoogte van de financiele tegemoetkoming:
Tot 2 jaar: 75% van het bedrag
Tot 4 jaar: 50 % van het bedrag
Tot 6 jaar: 25 % van het bedrag
Zeven jaar en ouder: geen vergoeding

  

Bijlage 3. Afschrijvingsschema woonvoorziening

 

Eerste jaar: 70 % van de financiele tegemoetkoming
Tweede jaar: 60 % van de financiële tegemoetkoming
Derde jaar: 50 % van de financiële tegemoetkoming
Vierde jaar: 40 % van de financiële tegemoetkoming
Vijfde jaar: 30 % van de financiële tegemoetkoming
Zesde jaar: 20 % van de financiële tegemoetkoming
Zevende jaar: 10 % van de financiële tegemoetkoming

 

Bijlage 4. Financiële tegemoetkoming bij vervoer

 

Indexering vindt jaarlijks plaats volgens CBS

 

Bedragen betreft 2010
Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 1068,-
Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt € 1068,-
Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt € 1599,65