Verordeningen

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Valkenswaard
Officiële naam regelingAlgemene plaatselijke verordening Valkenswaard 2008
CiteertitelAPV Valkenswaard 2008
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpopenbare orde en veiligheid

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, artikel 149

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
27-01-2011 n.v.t. Wijziging APV 23-12-2010 Onbekend Onbekend

Hoofdstuk Nieuw Hoofdstuk

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;
b. Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ;
c. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
d. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;
e. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
f. Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening;
g. Gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet ;
h. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .

 

Artikel 1.2 Beslissingstermijn

1. Voorzover in deze verordening niet anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Voorzover in deze verordening niet anders bepaald, kan het bevoegde bestuursorgaan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, artikel 2:11 of artikel 4:11.

 

Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag

1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2. Voor evenementen als bedoeld in artikel 2.25 geldt een termijn van acht weken. Indien in verband met een evenement een provinciale weg of een rijksweg moet worden afgesloten geldt een termijn van 6 maanden.
3. Voor bepaalde overige, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen, kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste zes maanden.

 

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

 

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

 

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
e. indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.

 

Artikel 1.7 Termijnen

Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

 

Artikel 1.8 Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.

 

Artikel 1.9 Reikwijdte lex silencio

1. Indien niet tijdig op een aanvraag tot vergunning, ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 2.9, 2.45, 2.67, of 4.18 is beslist, is de gevraagde vergunning, ontheffing of vrijstelling van rechtswege gegeven. De verlening van een vergunning, ontheffing of vrijstelling geldt als een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
2. Voorschriften waarvan in deze verordening of hiermee samenhangend beleidsregel is bepaald dat die steeds in een vergunning worden opgenomen, maken ook deel uit van een vergunning van rechtswege.
3. Het college maakt de vergunning bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven. Bij de bekendmaking wordt vermeld dat de vergunning van rechtswege is gegeven.
 

Hoofdstuk 2. OPENBARE ORDE

 

AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN

 

Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen, die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

 

AFDELING 2 BETOGINGEN

 

Artikel 2.2 Optochten (gereserveerd)

 

Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste twee weken voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van wat in het tweede lid hierover is bepaald.
2. De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3. Indien het tijdstip van de kennisgeving door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is
4. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.

 

Artikel 2.4 Afwijking termijn

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.3, eerste lid, genoemde termijn van twee weken verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

 

Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens (gereserveerd)

 

AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN

 

Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden, dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot aan te duiden dagen en uren.
3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

AFDELING 4 VERTONINGEN E.D. OP DE WEG

 

Artikel 2.7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (gereserveerd)

 

Artikel 2.8 Dienstverlening (gereserveerd)

 

Artikel 2.9 Straatartiest

1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG

 

Artikel 2.10 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken, anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.
2. Het verbod is niet van toepassing op:
a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
b. zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover:
- elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en
- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en
- elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
d. voertuigen;
e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
f. evenementen als bedoeld in artikel 2.24;
g. terrassen als bedoeld in artikel 2.28, vijfde lid;
h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.16;
i. goederen, wanneer deze worden geplaatst maximaal in een strook van maximaal 100 cm diep tegen de gevel van het bedrijfspand, gemeten vanaf de gevel, en maximaal 150 hoog, gemeten vanaf het grondoppervlak, over maximaal de breedte van het pand, met dien verstande dat de afstand tussen het voor rijverkeer bestemde gedeelte van de weg en de uitstallingenstrook minimaal drie meter bedraagt;
j. anders dan de onder a t/m i genoemde goederen wanneer:
- deze aansluitend tegen de gevel van een in gebruik zijnde bedrijfspand staan, met een maximum van één per bedrijfspand;
- deze gemeten vanaf de ondergrond (trottoir/verharding) waarop zij staan niet hoger zijn dan 100 cm en niet breder zijn dan 75 cm;
- deze een voet hebben waarvan het grondoppervlak niet groter is dan 50 cm x 75 cm;
- deze zich minimaal op 150 cm van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevinden;
- deze, onverminderd het hiervoor onder j bepaalde, door hun vormgeving, constructie of plaats van vestiging, geen schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan en geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
k. het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waarvoor het bepaalde onder i.en j. niet geldt.
3. Het is verboden op, in, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:
a. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg;
b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of
c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
4. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b. indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006.
b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b geldt niet voor bouwwerken;
d. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

 

Artikel 2.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend
a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b. door het college in de overige gevallen.
3. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.
4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Brabant 2006, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

 

Artikel 2.12 Maken en veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder vergunning van het college:
a. een uitweg te maken naar de weg;
b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006.

 

AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG

 

Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid (gereserveerd)

 

 

Artikel 2.14 Winkelwagentjes (gereserveerd)

 

Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

 

Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

 

Artikel 2.17 Kelderingangen, e.d. (gereserveerd)

 

Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1. Het is verboden te roken in bossen, op heidegronden of andere natuurterreinen en landschapselementen of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.
2. Het is verboden in bossen, op heidegronden of andere natuurterreinen en landschapselementen of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
3. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

 

Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2. Het verbod geldt niet voor: prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Artikel 2.20 Vallende voorwerpen (gereserveerd)

 

Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

 

Artikel 2.22 Objecten onder hoogspanningslijn (gereserveerd)

 

Artikel 2.23 Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden:
a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

 

AFDELING 7 TOEZICHT OP EVENEMENTEN

 

Artikel 2.24 Algemene begripsomschrijving

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet en artikel 5.16 van deze verordening;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.27 van deze verordening.
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
c. een optocht, niet zijnde een betoging op de weg, als bedoeld in artikel 2.3;
d. een feest of wedstrijd op of aan de weg.
e. een kermis

 

Artikel 2.25 Evenementen

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a de openbare orde;
b het voorkomen of beperken van overlast;
c de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
d de zedelijkheid of gezondheid.
3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid, onder d, van artikel 2.24 voorziene gevallen, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Artikel 2.25a Kennisgeving klein evenement

1. De burgemeester kan voorwaarden stellen waaraan het organiseren van een klein evenement moet voldoen.
2. Indien aan de door de burgemeester gestelde voorwaarden wordt voldaan, kan, in afwijking van artikel 2.25, eerste lid, worden volstaan met een kennisgeving aan de burgemeester. De kennisgeving dient twee weken voor aanvang van het evenement ingediend te worden.
3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en de leefomgeving de meldingsplicht omzetten in een vergunningsplicht.

 

Artikel 2.26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

 

AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN

 

Artikel 2.27 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
b. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

 

Artikel 2.28 Exploitatievergunning terras bij een horecabedrijf

1. Het is verboden een terras bij een horecabedrijf in te richten en te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien vestiging of de exploitatie van het terras bij een horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
3. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een terras bij een horecabedrijf.
4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het terras is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het terras van een horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras
5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
6. Onverminderd het gestelde in het derde en het vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg voor een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006.

 

Artikel 2.28a Droge horeca

1. Het is verboden zonder de vergunning van de burgemeester een bedrijf als bedoeld in artikel 2.27, waar enkel alcoholvrije dranken worden geschonken en / of spijzen voor consumptie worden bereid of verstrekt, te exploiteren.
2. Dit verbod geldt niet:
a. indien wordt gehandeld krachtens een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet tot het uitoefenen van een horecabedrijf;
b. voor middelen van vervoer tijdens hun gebruik als zodanig.

 

Artikel 2.28b Weigeringsgronden

1. De vergunning als bedoeld in artikel 2.28a, eerste lid, kan worden geweigerd indien niet voldaan is aan de volgende eisen:
a. de ondernemer moet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en voldoen aan de eisen, gesteld bij of krachtens artikel 8, tweede en derde lid, van de Drank- en Horecawet;
b. de onder a bedoelde eisen gelden eveneens voor een voor de ondernemer optredende bedrijfsleider of beheerder;
2. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3. Voor toepassing van het tweede lid , kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

 

Artikel 2.29 Sluitingstijden

1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en daar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in lid 1 vervatte verbod.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
4. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de houder van een horecabedrijf behorende bij of op of in een sportaccomodatie verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd gelegen tussen een uur voor en vanaf een uur na het gebruik overeenkomstig de bestemming van de sportaccomodatie.

 

Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

 

Artikel 2.31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.29 of als gevolg van een op grond van artikel 2.30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of daar te bevinden.

 

Artikel 2.32 Handel in horecabedrijven
1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
 

 

Artikel 2.33 Ordeverstoring

Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

 

Artikel 2.34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf als bedoeld in 2.27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de artikelen 2.28 tot en met 2.31

 

AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT VERSCHAFFEN NACHTVERBLIJF

 

Artikel 2.35 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1. inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
2. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

 

Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

 

Artikel 2.37 Nachtregister (gereserveerd)

 

Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

 

AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN

 

Artikel 2.39 Speelgelegenheden

1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend.
b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;
c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3. De burgemeester weigert de vergunning
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid
b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

 

Artikel 2.40 Speelautomaten

1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. Wet: de Wet op de kansspelen;
b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;
c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;
d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;
e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet.
2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten;
3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.


 

AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID

 

Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal

1. Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.
4. De burgemeester is bevoegd van de in het in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

 

Artikel 2.42 Plakken en kladden

1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

 

Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d.

1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, plakgereedschap, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
2. Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.

 

Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen

1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns, betonscharen, deukentrekkers of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
2. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn bestemd of gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

 

Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen e.d.

1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.

 

Artikel 2.46 Rijden over bermen e.d. (gereserveerd)

 

Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op of aan de weg

1. Het is verboden:
a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.
2 Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Artikel 2.47a (Nacht)verblijf op of aan de weg

1. Het is verboden op of aan de weg, al dan niet in een voertuig, te overnachten, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of soortgelijk ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten, dan wel gelegenheid daarvoor te bieden.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

Artikel 2.47b Verblijfsontzegging

1. De burgemeester kan degene van wie mag worden aangenomen dat hij hetzij alleen, hetzij in groepsverband, door het plegen van stafbare feiten, door baldadig of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt, uit een oogpunt van het handhaven van de openbare orde het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij het bevel genoemde plaats of gebied, gedurende de tijd, bij het bevel genoemd.
2. Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.
3. Het in het eerste lid genoemde bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie het bevel is gericht:
a. op de plaats of in het gebied blijkens opgave in de gemeentelijke basisadministratie woonachtig is;
b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is;
c. zich in een middel van openbaar vervoer bevindt;
d. of anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich op die plaats of in dan gebied te bevinden.
4. Het in het eerste lid bedoelde bevel heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 14 dagen.

 

Artikel 2.47c Vechten

1. Het is verboden in het openbaar te vechten.
2. Het verbod geldt niet voorzover artikel 424 of artikel 426 bis van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

 

Artikel 2.48 Hinderlijk drankgebruik

1. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied,
a. alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben;
b. drank in glazen met zich te voeren, bij zich te hebben of anders dan verpakt, glazen bij zich te hebben.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3. De houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.
4. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid;
b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

 

Artikel 2.49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

1. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

 

Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.


Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of bromfiets en dergelijke te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:
a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of portiek;
b. daardoor die ingang versperd wordt.

 

Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

 

Artikel 2.52a Fietswrakken

1. Het is verboden een fietswrak op de weg te plaatsen of daar aanwezig te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een fietswrak verstaan een fiets of bromfiets waarvan de wielen, de stuurinrichting of het aandrijfmechanisme zodanige gebreken vertoont, dat daarmee niet kan worden gereden of een fiets of bromfiets die zich in een zodanige onderhoudstoestand en op een zodanige plaats op de weg bevindt, dat de eigenaar daarvan kennelijk afstand heeft gedaan.

 

Artikel 2.53 Bespieden van personen (gereserveerd)

 

Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur (gereserveerd)

 

Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren (gereserveerd)

 

Artikel 2.56 Alarminstallaties (gereserveerd)

 

Artikel 2.57 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doen kennen;
d. buiten de bebouwde kom zonder dat die hond aangelijnd is in voor het publiek toegankelijke parken, plantsoenen, groenstroken, bossen of andere natuurgebieden tenzij is aangeduid dat het niet aangelijnd zijn ter plaatse wel geoorloofd is;
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, genoemd in het eerste lid, niet geldt.
3. De verboden, genoemd in het eerste lid onder a en b, gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

 

Artikel 2.58 Verontreiniging door honden

1. De eigenaar of houder van een hond of diegene aan wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:
a. binnen de bebouwde kom: op de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994
b. buiten de bebouwde kom: op het gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers en fietsers;
c. op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of een andere door het college aangewezen plaats.
2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien hij die zorg heeft voor de hond dan wel hij die de hond onder zijn hoede heeft, er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

 

Artikel 2.59 Gevaarlijke honden

1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2.57, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een door het college nader te bepalen optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren;
b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.

 

Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben; dan wel
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven.
3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

 

Artikel 2.61 Wilde dieren (gereserveerd)

 

Artikel 2.62 Loslopend vee

De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden, dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.

 

Artikel 2.63 Rupsen(nesten)

1. Het college kan, hetzij bij openbare kennisgeving voor het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de rechthebbende van een of meer bepaalde percelen, meedelen dat hij het noodzakelijk acht, dat aldaar in bomen of ander houtgewas voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd worden voor een bij die kennisgeving bepaalde datum.
2. De rechthebbenden op de in het eerste lid bedoelde percelen zijn verplicht aan de kennisgeving voor de daarin genoemde datum gehoor te geven.

 

Artikel 2.64 Bijen (gereserveerd)

 

Artikel 2.65 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
 

 

AFDELING 12 BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN

 

Artikel 2.66 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

 

Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

 

Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
b. van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen;
c. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

 

Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (gereserveerd)

 

Artikel 2.70 Handel in horecabedrijf

Is opgenomen in artikel 2.32

 

AFDELING 13 VUURWERK

 

Artikel 2.71 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

 

Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.


Artikel 2.73 Bezigen van vuurwerk tijdens de jaarwisseling

1. Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

Artikel 2.73a Opslag vuurwerk in voertuigen

Het is verboden meer dan 50 kg vuurwerk aanwezig te hebben en/of op te slaan in geparkeerde voertuigen of aanhangers anders dan voor het onmiddellijk en zonder onderbreking laden en lossen daarvan.

 

AFDELING 14 DRUGSOVERLAST

 

Artikel 2.74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

 

Artikel 2.75 Verbod gebruik drugs in het openbaar

Het is verboden op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats of gebouw middelen als vermeld op lijst I en lijst II van de Opiumwet te gebruiken of ten behoeve van gebruik stoffen en/of voorwerpen voorhanden te hebben.

 

Artikel 2.76 Verbod zich te bevinden op aangewezen plaatsen

1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.74, artikel 2.75 of artikel 3.9, nadat eerder het in het tweede lid van artikel 3.9 genoemde bevel tot onmiddellijke verwijdering is gegeven, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedraging heeft plaatsgehad.
2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt vastgesteld dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 14 dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedraging heeft plaatsgehad.
3. De burgemeester beperkt het in het eerste of tweede lid genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid.

 

AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING

 

Artikel 2.77 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan in overeenstemming met artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in één of meer na deze volzin genoemde artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
2.1 (samenscholingsverbod)
2.10 (voorwerpen of stoffen op, aan boven de weg)
2.11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg)
2.16 (openen van straatkolken en dergelijke)
2.19 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp)
2.25 (evenement)
2.25a (klein evenement)
2.47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg)
2.47a ((nacht)verblijf op of aan de weg)
2.47b (verblijfsontzegging)
2.47c (vechten)
2.48 (hinderlijk drankgebruik)
2.49 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen)
2.50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten)
2.73 (bezigen van vuurwerk)
5.34 (verbod om vuur te stoken).

 

Artikel 2.78 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

 

Artikel 2.79 Cameratoezicht op openbare plaatsen

1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen.
 

Hoofdstuk 3. SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS E.D.

AFDELING 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen en nadere regels

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen ver¬goeding;
b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele han¬delin¬gen met een ander tegen vergoeding;
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin be¬drijfs¬matig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was sek¬suele handelingen wor¬den verricht, of vertoningen van erotisch-por¬nografische aard plaatsvinden. Onder een sek¬sinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seks¬auto¬maten¬hal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-mas¬sagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die be¬drijfs¬matig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was pros¬titutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofd¬za¬ke¬lijk goederen van erotisch-por¬nografische aard aan par¬ticulieren plegen te wor¬den verkocht of ver¬huurd;
f. exploitant: de natuurlijke persoon of per¬sonen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seks¬in¬richting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtsper¬soon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of per¬sonen;
g. beheerder: de natuurlijke persoon of per¬sonen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksin¬richting of es¬cortbedrijf;
h. bezoeker: degene die aanwezig is in een sek¬sin¬rich¬ting, met uitzondering van:
1. de exploitant;
2. de beheerder;
3. de prostituee;
4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2;
6. andere personen wier aanwezigheid in de seksin¬rich¬ting wegens dringende rede¬nen noodzakelijk is.

 

Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bes¬tuursor¬gaan: het college of, voor¬zover het betreft voor het publiek openstaande ge¬bouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeente¬wet, de burgemeester.

 

Artikel 3.3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belan¬gen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofd¬stuk nadere regels vaststellen.


AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROS¬TITUTIE, SEKSWINKELS E.D

 

Artikel 3.4 Seksinrichtingen en escortbedrijven

1. Het is verboden zon¬der vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of es¬cortbedrijf te exploiteren of te wijzigen in het door het college aangewezen gebied of deel van de gemeente als bedoeld in artikel 3.2.1a.
2. Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in andere gebieden of delen van de gemeente dan het in het eerste lid bedoelde.
3. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.
4. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval, al dan niet in een bijlage, vermeld:
a. de persoonsgegevens van de exploitant;
b. de persoonsgegevens van de beheerder;
c. de aard van de seksinrichting of het es¬cortbedrijf;
d. het aantal werkzame prostituees;
e. de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000;
f. de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100 met daarop aangegeven waartoe de onderscheidenlijke ruimten dienen of welke functie deze hebben;
g. een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
h. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf.
i. bedrijfsplan
j. de sluitingstijden
5. In de vergunning worden in ieder geval vermeld, de gegevens zoals bedoeld onder a, b, c en d in het vorige lid.

 

Artikel 3.4a Concentratiegebied – Maximumstelsel

1. Het college wijst een gebied of deel van de gemeente aan, met uitsluiting van alle andere gebieden of delen van de gemeente, waarbinnen het is toegestaan een seksinrichting exploiteren.
2. Binnen het aangewezen gebied kan door het bevoegd bestuursorgaan, met uitsluiting van alle andere seksinrichtingen, voor de exploitatie van ten hoogste één seksautomatenhal dan wel seksbioscoop en ten hoogste één prostitutiebedrijf vergunning worden verleend, met dien verstande dat geen vergunning wordt verleend voor de exploitatie van een raamprostitutiebedrijf.

 

Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder

1. De exploitant en de beheerder:
a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c. hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:
a. met toepassing van artikel 37 van het Wet¬boek van Strafrecht in een psy¬chia¬trisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroor¬deeld tot een onvoorwaardelijke vrij¬heidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een mis¬drijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voor¬lopige hech¬tenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onher¬roepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wet¬boek van Strafrecht;
3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegen¬verkeerswet 1994;
4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
1. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voor¬waar¬delijke straf.
2. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a. bij de weigering van een vergunning terug¬gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergun¬ning;
b. bij de intrekking van een vergunning terug¬gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
3. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrich¬ting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste en derde lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

 

Artikel 3.6 Sluitingsuur

1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur;
b. op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur.
2. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrich¬ting andere sluitingstijden vaststellen.
3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn.
4. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen is voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

 

Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting

1. Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalin¬gen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of alge¬hele sluiting bevelen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergun¬ning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrich¬ting aanwezig is.
2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seks¬¬inrichting:
a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door per¬sonen in strijd met het bij of krach¬tens de Wet arbeid vreem¬delingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

 

Artikel 3.9 Straatprostitutie

1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:
2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde rich¬ting te verwij¬deren.

 

Artikel 3.10 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

 

Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goe¬deren, opschriften, aankon¬digin¬gen, gedrukte of geschreven stukken dan wel af¬beel¬dingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bie¬den of aan te brengen:
a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rech¬theb¬bende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;
b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepas¬sing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van ge¬dachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.

 

AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN EN WEIGERINGSGRONDEN

 

Artikel 3.12 Beslissingstermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning be¬doeld in artikel 3.4 binnen twaalf weken na de dag waarop de aan¬vraag ontvan¬gen is.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken ver¬dagen.

 

Artikel 3.13 Weigeringsgronden

1. De vergunning bedoeld in artikel 3.4 wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen;
b. de vestiging of de exploitatie van de seksin¬richting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestem¬mingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuveror¬dening;
c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werk¬zaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreem¬delingen¬wet bepaalde.
d. de vergunning wordt aangevraagd voor de vestiging of exploitatie van een seksinrichting gelegen buiten het door het college aangewezen concentratiegebied als bedoeld in artikel 3.4a lid 1.
e. vergunningverlening zou leiden tot overschrijding van de in artikel 3.4a lid 2 vermelde maxima.
f. de vergunning wordt aangevraagd voor de vestiging of exploitatie van een seksinrichting gelegen op een afstand van minder dan 100 meter tot kerken, schoolgebouwen, peuterspeelzalen en andere voor kinderopvang in gebruik zijnde gebouwen.
g. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
2. De vergunning bedoeld in artikel 3.4 kan worden geweigerd:
a. in het belang van de openbare orde;
b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen;
e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;
g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee(s).

 

AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER

 

Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie

1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge ar¬tikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

 

Artikel 3.15 Wijziging beheer

1. Indien een beheerder als bedoeld in ar¬tikel 3.4 het beheer in de seksinrich¬ting of het es¬cortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheer¬der, indien het be¬voegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als be¬doeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
 

Hoofdstuk 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

AFDELING 1 GELUID- EN LICHTHINDER

 

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer ;
b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit ;
c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

 

Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: Valkenswaard, Dommelen en Borkel en Schaft.
4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

 

Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2. Het is een inrichting toegestaan maximaal twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 4.113 , eerste lid van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan.

 

Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten (gereserveerd)

 

Artikel 4.6 Overige geluidhinder

1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Het verbod geldt niet, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Vuurwerkbesluit, de Provinciale milieuverordening.

 

AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING

 

Artikel 4.7 Straatvegen (vervallen)

 

Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

 

Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

 

AFDELING 3 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN

 

Artikel 4.10 Begripsbepalingen

1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

 

Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van bomen

1 Het vellen of te doen vellen van houtopstand is vergunningvrij.
2 Het gestelde bij lid 1 geldt niet voor:
a. Bomen met een omtrek groter dan 100 cm op een hoogte van 1.30 meter.
b. Bomen in rijbeplantingen die in de groenstructuurvisie zijn aangemerkt als ‘ontwikkelen bomenstructuur’.
c. Houtopstanden waar de Boswet danwel de Natuurbeschermingswet van kracht is.
3 Indien een houtopstand als bedoeld in lid 2 in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene, die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:
a) overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen, binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;
b) een Bomen Effect Analyse op te stellen en over te leggen

 

Artikel 4.12 Aanvraag vergunning (vervallen)


Artikel 4.13 Weigeringsgronden

1. De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:
a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de waarde voor de recreatie en de leefbaarheid van de houtopstand.
2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

 

Artikel 4.14 Bijzondere vergunningsvoorschriften

1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.
2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3. Aan een vergunning wordt de voorwaarde verbonden van feitelijk niet-gebruik tot twee weken na het verlenen van de vergunning, ofwel tot twee weken tot het moment dat in die periode een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tot op het moment dat op het verzoek om voorlopige voorziening een beslissing is genomen
4. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat ten behoeve van herplanting een bijdrage wordt voldaan aan de Groenreserve van de gemeente. Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde van de houtopstand die op grond van de vergunning kan worden geveld of van dat gedeelte van de boomwaarde dat niet door herplant kan worden gecompenseerd.

 

Artikel 4.15 Herplant- / instandhoudingspicht

1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3. Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

 

Artikel 4.16 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, e.d.

1. Het college kan, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof:
a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel
b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006 of de afvalstoffenverordening Valkenswaard.

 

Artikel 4.17 Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen (gereserveerd)

Artikel is komen te vervallen

 

Artikel 4.18 Vergunningplicht handelsreclame

1. Het verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame, waaronder ook wordt begrepen het aankondigen van een evenement, te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:
a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;
b. opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid;
c. opschriften en aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
1. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
2. het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;
d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
e. opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.
3. Het verbod geldt voorts niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:
a. van het aanbrengen tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college;
b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;
c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.
4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.
5. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b. in het belang van de verkeersveiligheid;
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening;
b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;
c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
7. Het college is bevoegd nadere regels te geven met betrekking tot aard, plaats, afmetingen, vormgeving, kleur en intensiteit van verlichting van handelsreclames.
8. In de in het 7e lid bedoelde nadere regels kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende gebieden van de gemeente, tussen soorten van bebouwing en tussen soorten van gebruik van bebouwing, erven en terreinen.

 

Artikel 4.18a Ongeadresseerde handelsreclame

Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te laten bezorgen bij een woning of bedrijf, indien de bewoner ervan of de gebruiker ervan door middel van een sticker duidelijk kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen van ongeadresseerd reclamedrukwerk.

 


AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

 

Artikel 4.19 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:
Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

 

Artikel 4.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste lid.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap
b. de bescherming van een stadsgezicht


 

Artikel 4.21 Aanwijzing kampeerplaatsen

1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.20. eerste lid, niet geldt.
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.20. vierde lid.
 

Hoofdstuk 5. ANDERE ONDERWERPEN OVER DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN

 

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

 

Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een dezer voertuigen dan wel
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
a. voertuigen waaraan herstel of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

 

Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen

1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

 

Artikel 5.4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

 

Artikel 5.5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

 

Artikel 5.6 Woonwagens, caravans e.d.

1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te doen staan of te laten staan op een weg;
b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Brabant 2006 of de Landschapsverordening Noord-Brabant 2006.

 

Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

 

Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

 

Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.


Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (gereserveerd)

Is komen te vervallen

 

Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door, dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2. Dit verbod is niet van toepassing:
a. op wegen zoals bedoeld in artikel 5.1 onder a;
b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

 

Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets

1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte, verboden is fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

 

Artikel 5.12a Onbeheerde voertuigen

1. Het is de gebruiker van een motorvoertuig, bromfiets of fiets verboden het voertuig op of aan de weg onbeheerd te laten zijn, indien het niet met een goed werkend slot of op andere deugdelijke wijze voor onmiddellijk gebruik ongeschikt is gemaakt.
2. Hij die een motorvoertuig, niet zijnde een vrachtauto, op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats onbeheerd laat staan, is, indien zich daarin goederen bevinden die niet tot de uitrusting ervan behoren, verplicht er voor te zorgen dat door deugdelijke afsluiting van dat voertuig, die goederen tegen diefstal zijn beveiligd.
3. Het bepaalde in dit artikel geldt niet voorzover artikel 14 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 van toepassing is.

 

Artikel 5.12b Parkeerverbod bij kermissen, markten e.d.

Het is verboden een voertuig te parkeren of geparkeerd te hebben of enig ander voorwerp te plaatsen of te laten staan op weggedeelten, indien ter plaatse is bekend gemaakt dat op die weggedeelten een kermis, markt of een evenement als bedoeld in artikel 2.25 plaatsvindt, dan wel dat die weggedeelten tijdelijk tot parkeerplaats voor woon- of parkwagens zijn bestemd, gedurende de tijden als bij die bekendmaking is aangegeven.

 

AFDELING 2 COLLECTEREN, VENTEN, STANDPLAATSEN EN SNUFFELMARKTEN

 

Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen waartoe ook gedrukte of geschreven stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt, dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

 

Artikel 5.14 Venten e.d.

1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden.
2. Het verbod geldt niet:
a. ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;
b. voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
c. voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.15.
3. Een vergunning kan worden geweigerd:
a. in het belang van de openbare orde;
b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
c. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
d. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt.

 

Artikel 5.15 Standplaatsen: uitstallingen op de weg

1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:
a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;
b. via een loket of automatiek goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek of deze anderszins te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek;
c. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek;
2. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.
3. Het in het eerste lid, onder b en c, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
4. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door het College ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 2.25, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.16.
5. De vergunning kan worden geweigerd:
a. in het belang van de openbare orde;
b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
c. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
d. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid;
e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.
6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006;
b. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer;
c. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c geldt niet voor bouwwerken.
7. Het college houdt, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer is vereist, en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid, de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsver- gunning aan tot de dag waarop de beslissing over de Wet milieubeheervergunningaanvraag is genomen.

 

Artikel 5.16 Snuffelmarkten e.d.

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:
a. in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;
b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.
2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.
 

 

AFDELING 3 OPENBAAR WATER

 

AFDELING 4 CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN

 

Artikel 5.32 Crossterreinen

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

 

Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen van overlast;
b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:
a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten;
b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;
c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d. van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;
e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen.
4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:
a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b. binnen de bij of krachtens de Provinciale 'Verordening stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

Artikel 5.34 Overlast van ruiters

1. Behoudens de daartoe aangewezen ruiterpaden is het verboden zich met een paard te bevinden in voor publiek toegankelijke plantsoenen, wandelpaden, wandelplaatsen, parken, groenstroken, grasperken, bossen, natuurterreinen en andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen met inbegrip van de daarin gelegen brandgangen, paden, niet openbare wegen als bedoeld in de Wegenwet.
2. Dit verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of de Wegenverordening Noord-Brabant 2006.
3. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.

 

AFDELING 5 VERBOD VUUR TE STOKEN

 

Artikel 5.35 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2. Het verbod geldt niet voorzover het betreft:
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Milieuverordening Noord-Brabant.

 

AFDELING 6 VERSTROOIING VAN AS

 

Artikel 5.36 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

 

Artikel 5.37 Verbod asverstrooiing

1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a. verharde delen van de weg;
b. gemeentelijke begraafplaatsen.
2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt
3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid onder a en het tweede lid.

 

Artikel 5.38 Verbod wegens hinder en overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
 

Hoofdstuk 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

 

Artikel 6.2 Toezichthouders

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:
a. De politieambtenaren van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost en de leden van de Koninklijke Marechaussee, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd is;
b. de door het college aangewezen parkeercontroleurs en overige door het college aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren, voorzover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld;
c. de ambtenaren van het Team Toezicht & Handhaving, de ambtenaren van het Team Beleid & Strategie, de ambtenaren van het Team Juridische Zaken, de ambtenaren van de gemeentelijke afdeling Brandweer, de ambtenaren van de gemeentelijke brandweer binnen het samenwerkingsverband Valkenswaard – Waalre - Bergeijk, de ambtenaren van de regionale brandweer Zuidoost Noord- Brabant en de ambtenaren van de Milieudienst Regio Eindhoven, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd;
d. de door het college aangewezen toezichthouders van de Vereniging Natuurmonumenten, voorzover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld;
e. de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 3 bepaalde (Prostitutie Controle Team);
2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen.

 

Artikel 6.2a Aanwijzing leden PCT

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren van het Prostitutie Controle Team.
2. De aanwijzing, mandatering en de registratie van leden van het Prostitutie Controle Team worden geregeld in de “Centrale Mandaatregeling Prostitutie Controle Team.”

 

Artikel 6.3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.


 

Artikel 6.3a Binnentreden woningen in noodsituaties

Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

 

Artikel 6.4 Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
2. Op dat tijdstip wordt de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Valkenswaard vastgesteld op 23 september 2009 ingetrokken.

 

Artikel 6.5 Overgangsbepaling

1. Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven – indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken- van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.
2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien en voor zover de bepalingen op grond waarvan deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken- van kracht tot de termijn waarvoor zij werden opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.
3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de verordening als bedoeld in artikel 6.4 tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
4. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.
5. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
6. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing:
a. gedurende 4 weken na het in werking treden van deze verordening;
b. ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

 

Artikel 6.6 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening Valkenswaard 2008 (APV Valkenswaard 2008).
 

Sluiting

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Valkenswaard op 23 december 2010

de raadsgriffier, de voorzitter,

 

mr C.J. Dorsman drs. A.B.A.M. Ederveen